Aanwijzing OM-strafbeschikking (2018A010)

In deze beleidsregel

Categorie
  • overige
Rechtskarakter

Aanwijzing in de zin van artikel 130 lid 6 Wet RO

Van College van procureurs-generaal
Aan Hoofden van de OM-onderdelen
Registratienummer 2018A010
Datum inwerkingtreding
Publicatie in Staatscourant PM
Relevante beleidsregels Aanwijzing executie (2014A013)
Kader voor strafvordering en OM-afdoeningen (2015A001)
Aanwijzing taakstraffen (2011A027)
Aanwijzing gebruik sepotgronden (2014A007)
Wetsbepalingen

artt. 257a tot en met 257h Sv

Bijlagen -

SAMENVATTING

Deze aanwijzing geeft regels voor het uitvaardigen van een OM-strafbeschikking, het horen van de verdachte, de te hanteren straftoemeting en hoe te handelen bij verzet en mislukte executie. Het uitgangspunt is: wanneer dat wettelijk mogelijk is en de strafzaak zich ervoor leent, wordt de zaak in beginsel afgedaan met een strafbeschikking. Er zijn echter een paar contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking. Daarnaast blijft de professionele beslissingsruimte bestaan om te kiezen voor een andere afdoeningsmodaliteit. Voorop staat dat een strafbeschikking slechts kan worden opgelegd als er een schuldvaststelling aan vooraf is gegaan.

1. INLEIDING EN JURIDISCH KADER

Door de invoering van de Wet OM-afdoening is een regeling in het Wetboek van Strafvordering opgenomen die het mogelijk maakt dat de officier van justitie misdrijven waarop niet meer dan zes jaar gevangenisstraf staat en alle overtredingen door het uitvaardigen van een strafbeschikking zelf bestraft (artikel 257a Sv). De wetgever heeft met deze regeling een lichte – niet-rechterlijke – procedure geïntroduceerd voor de buitengerechtelijke afdoening van de genoemde delicten,  met het doel de strafrechter te ontlasten. Inzet was het terugdringen van de transactie ex artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht ten faveure van de strafbeschikking.

2. UITVAARDIGEN VAN EEN OM-STRAFBESCHIKKING

Het uitvaardigen van een strafbeschikking is het uitgangspunt bij feiten waarvoor dat wettelijk gezien mogelijk is. Er bestaan wel contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking. De contra-indicaties zijn (niet-limitatief) opgenomen in de bijlage bij deze aanwijzing. De professionele beslissingsruimte te kiezen voor een andere afdoeningsmodaliteit blijft bestaan. Zo kan bij wijze van uitzondering nog gebruik gemaakt worden van de transactie als afdoeningsmodaliteit.[1] Ook kan in de strafvorderingsrichtlijnen bij een bepaalde ernst of recidive het uitgangspunt zijn dat de verdachte wordt gedagvaard.

  • Schuldvaststelling

De OM-strafbeschikking komt, wat haar rechtskarakter betreft, overeen met een rechterlijke veroordeling. Een dergelijke buitengerechtelijke bestraffing is slechts mogelijk indien daaraan een adequate schuldvaststelling vooraf is gegaan.

  • Bij strafbeschikking op te leggen sancties

Artikel 257a, tweede lid Sv bepaalt welke sancties de officier van justitie bij strafbeschikking op kan leggen. De strafbeschikking kan ook aanwijzingen (waaronder gedragsaanwijzingen) bevatten waaraan de verdachte moet voldoen (artikel 257a, derde lid Sv).

Niet alle in de wet opgenomen sancties kunnen al worden uitgevoerd. De aanwijzing ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 257a, derde lid onder c Sv), zowel bij natuurlijke als rechtspersonen, en de taakstraf voor minderjarigen zijn nog niet geïmplementeerd.

Ter ondersteuning van de eenduidige afdoening van strafzaken beschikt het OM over richtlijnen voor strafvordering. Uitgangspunt bij het opleggen van een OM-strafbeschikking is een strafoplegging die voor de verdachte gunstiger is dan de te verwachten strafeis op zitting[2]. De officier van justitie houdt bij het bepalen van de sanctie rekening met de rechterlijke straftoemetingspraktijk.

  • Het horen van de verdachte

Het horen van een verdachte door de officier van justitie[3] vindt slechts plaats wanneer er een strafvorderlijke noodzaak is, te weten in de gevallen waarin:

  • de wet daartoe verplicht (artikel 257c Sv);
  • de officier van justitie horen noodzakelijk acht, bijvoorbeeld om tot een zorgvuldige schuldvaststelling en/of strafoplegging te komen. Horen in gevallen waarin geen wettelijke hoorplicht bestaat, dient uitzondering te zijn.

Van de wettelijke verplichting te horen kan niet worden afgezien, ook niet wanneer daarmee zou worden ingestemd door de verdachte.

Van het horen wordt een verslag opgemaakt. Het horen van de verdachte kan op verschillende manieren plaatsvinden, onder andere op een fysieke OM-hoorzitting, via een videoverbinding of telefonisch. Indien wordt afgeweken van door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, dan worden de redenen die tot afwijken hebben geleid  in dit verslag opgenomen, voor zover deze niet reeds mondeling zijn opgegeven. De artikelen 29 tot en met 29b Sv, inzake zwijgrecht, cautie, recht op een tolk en identificatie van de verdachte zijn van toepassing, alsmede het recht van verdachte zich te doen bijstaan door een raadsman.

In geval de officier van justitie voornemens is een taakstraf, ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (OBM) of gedragsaanwijzing op te leggen, staat in het kader van het horen zowel de vraag centraal of de verdachte daaraan kan voldoen als de vraag of hij daaraan wil voldoen. Bij het voornemen een geldboete op te leggen staat, zo er een strafvorderlijke noodzaak is om te horen, centraal of de verdachte daaraan kan voldoen. Horen is niet gericht op het bereiken van consensus.

  • Directe betaling van de strafbeschikking

Het direct voldoen van de bij strafbeschikking opgelegde sanctie is alleen mogelijk na adequate rechtsbijstand. Door de betaling ontstaat een onherroepelijke strafrechtelijke sanctie.

3. VERZET

3.1 Het doen van verzet

Verzet als bedoeld in artikel 257e Sv kan worden gedaan door:

  • de bestrafte (in persoon of schriftelijk);
  • een bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman (in persoon of schriftelijk);
  • een bij bijzondere volmacht schriftelijk gevolmachtigde (alleen in persoon, waarbij de bijzondere volmacht bij de verzetsakte dient te worden gevoegd).


3.2 De termijn van verzet

Verzet tegen de strafbeschikking kan men doen binnen veertien dagen nadat de strafbeschikking in persoon is uitgereikt of nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit blijkt dat de bestrafte bekend is met de strafbeschikking (artikel 257e, eerste lid, Sv).

Bij een uitreiking in persoon bestaat geen twijfel over de ingangsdatum van de verzetstermijn. Indien de strafbeschikking per post is toegezonden, is de ingangsdatum van deze termijn en daarmee ook de datum waarop de strafbeschikking onherroepelijk wordt afhankelijk van het zich voordoen van een omstandigheid waaruit blijkt dat de bestrafte met de strafbeschikking bekend is.

Als een strafbeschikking voor een overtreding per post is toegezonden, dan geldt dat deze maximaal zes weken na toezending onherroepelijk wordt indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de geldboete is maximaal € 340,-;
  • de strafbeschikking is uiterlijk vier maanden na het plegen van het strafbare feit uitgevaardigd;
  • de strafbeschikking is verzonden naar het BRP-adres of het door verdachte opgegeven adres; en
  • de bestrafte heeft geen verzet ingesteld.

Als aangetoond kan worden dat bestrafte voor het verstrijken van de zeswekentermijn op een bepaalde datum bekend is geworden met de strafbeschikking, dan is de strafbeschikking na ommekomst van veertien dagen na die datum onherroepelijk.

3.3. Herbeoordeling van de zaak

Naar aanleiding van het verzet vindt een herbeoordeling van de zaak plaats. Deze herbeoordeling is met name gericht op de door de bestrafte aangevoerde gronden van verzet en behelst niet zozeer een integrale herbeoordeling van de eerder genomen beslissing, tenzij het verzet daartoe aanleiding geeft.

3.4 Aanbrengen rechter

Op grond van artikel 257f lid 1 Sv is de officier van justitie verplicht de zaak voor de rechter te brengen en de verdachte daarvoor op te roepen, tenzij hij besluit de strafbeschikking in te trekken of de bestrafte het verzet intrekt.

Ook bij wijziging van de strafbeschikking moet de zaak aan de rechter worden voorgelegd, tenzij de bestrafte vrijwillig aan de gewijzigde strafbeschikking voldoet.

Als het verzet onbevoegd of niet tijdig is gedaan, moet de zaak voor de rechter worden gebracht: hij beslist op grond van 257f Sv of het verzet ontvankelijk wordt verklaard.

Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking of schort de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking op, tenzij naar het oordeel van het OM vaststaat dat bestrafte niet-ontvankelijk is in zijn verzet. In dat geval mag de executie van de strafbeschikking worden hervat. De zaak moet echter altijd ter terechtzitting worden aangebracht, tenzij de bestrafte zijn verzet alsnog intrekt.

4. TERECHTZITTING NA VERZET OF MISLUKTE EXECUTIE

De wet bepaalt dat indien een zaak na uitvaardigen van een strafbeschikking alsnog voor de rechter wordt gebracht, deze de zaak integraal beoordeelt. De rechter zal eerst nagaan of de bestrafte ontvankelijk is in zijn verzet.

4.1    Eis ter terechtzitting na verzet

In het geval een bestrafte na het doen van verzet wordt opgeroepen voor een terechtzitting, wordt de zaak verder behandeld als een gewone strafzaak.

Bij het opleggen van de strafbeschikking zijn ter terechtzitting de strafvorderingsrichtlijnen het uitgangspunt voor de strafeis van de officier van justitie[4]. Daarvan kan worden afgeweken indien het verzetschrift daartoe aanleiding geeft.

Overigens zal steeds, behalve wanneer het verzet niet-ontvankelijk wordt geacht, de vernietiging van de strafbeschikking gevorderd moeten worden. De rechter vernietigt op basis van artikel 257f lid 4 Sv de strafbeschikking als hij de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitspreekt, dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt. De vernietiging moet worden geëist en hoort door de rechter te worden uitgesproken en in het vonnis opgenomen.

4.2 Eis ter terechtzitting na (gedeeltelijk) mislukte executie

Wanneer de executie van de strafbeschikking geheel of gedeeltelijk is mislukt, bijvoorbeeld omdat de opgelegde geldboete niet of niet volledig is betaald of kan worden verhaald, kan de officier van justitie besluiten de bestrafte te dagvaarden. Indien reeds een gedeeltelijke betaling heeft plaatsgevonden, wordt deze in de uitvoering door het CJIB in mindering gebracht op de door de rechter opgelegde straf. De  officier van justitie verdisconteert het reeds voldane bedrag dus niet in zijn eis.

Evenals in de zaken waarin de bestrafte verzet heeft gedaan tegen de strafbeschikking, vormen ook hier de strafvorderingsrichtlijnen het uitgangspunt. Daarvan kan worden afgeweken indien het niet voldoen aan de in de strafbeschikking opgelegde sanctie verontschuldigbaar is.

Ook in deze gevallen geldt dat de rechter op basis van artikel 257f  lid 4 Sv de strafbeschikking vernietigt als hij de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitspreekt, dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt. De vernietiging moet worden geëist en hoort door de rechter te worden uitgesproken en in het vonnis opgenomen.

OVERGANGSRECHT

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding met onmiddellijke ingang van de datum van inwerkingtreding.

BIJLAGE I: REIKWIJDTE OM-AFDOENING (CONTRA-INDICATIES)

Op grond van artikel 257a lid 1 Sv kan de officier van justitie een strafbeschikking uitvaardigen voor overtredingen en voor misdrijven waarop niet meer dan zes jaar gevangenisstraf staat. Behalve deze wettelijke inkadering van de strafbeschikkingsbevoegdheid zijn er ook beleidsmatige contra-indicaties.

Contra-indicaties:

  • politiek of publicitair gevoelige zaken:

In principe is het uitvaardigen van een strafbeschikking in dergelijke zaken niet mogelijk. Slechts bij hoge uitzondering kan hierop een uitzondering worden gemaakt.

  • feiten gepleegd door:
    * illegale vreemdelingen

Conform het vreemdelingenbeleid van het Openbaar Ministerie, waarin is bepaald dat illegalen in principe worden gedagvaard, wordt aan illegale vreemdelingen geen strafbeschikking uitgevaardigd. Als dagvaarden niet mogelijk is, kunnen illegale vreemdelingen een strafbeschikking inhoudende een geldboete opgelegd krijgen.

* asielzoekers

Slechts als een asielzoeker zich kan legitimeren en een (BRP)-adres heeft waarnaar de strafbeschikking kan worden uitgestuurd, of als de strafbeschikking na adequate rechtsbijstand (bijvoorbeeld in het kader van ZSM) in persoon wordt uitgereikt met directe betaling van de geldboete  kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd.

* mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats (zvwp-ers)

Slechts als een zvwp-er een adres heeft waarnaar de strafbeschikking kan worden uitgestuurd, of als de strafbeschikking na adequate rechtsbijstand (bijvoorbeeld in het kader van ZSM) in persoon wordt uitgereikt met directe betaling van de geldboete kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd.

  • bij minderjarige verdachten: een taakstraf
  • bij minderjarige verdachten in geval van een misdrijf: een geldboete of schadevergoedingsmaatregel die afzonderlijk dan wel gezamenlijk meer dan € 200,- beloopt
  • de sanctie aanwijzing ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 257a, derde lid onder c Sv), zowel bij natuurlijke als rechtspersonen

[1] Bijvoorbeeld in grotere zaken en bijzondere zaken: zie de Aanwijzing hoge transacties en bijzondere transacties.

[2] Dit geldt niet voor de afdoening van feitgecodeerde misdrijven en overtredingen en van strafbare feiten begaan door minderjarigen. Daarvoor gelden de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en Mulder-gedragingen respectievelijk de Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt.

[3] Het horen in het kader van een taakstraf van 121 tot en met 180 uur, een OBM of een gedragsaanwijzing moet door een officier van  justitie plaatsvinden. Een uitzondering hierop vormt de algemene gedragsaanwijzing inhoudende reclasseringstoezicht. Deze bevoegdheid mag worden gemandateerd.

[4] Bij feitgecodeerde misdrijven en overtredingen geldt voor wat betreft de eis ter terechtzitting na verzet of (gedeeltelijk) mislukte executie hetgeen daarover is vermeld in de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen en Muldergedragingen.