Aanwijzing voor de opsporing en vervolging van overheden (1998A004)

In deze beleidsregel

Categorie
  • strafvordering
  • vervolging
  • opsporing
  • informatieverstrekking
Rechtskarakter
aanwijzing i.d.z.v. artikel 130, lid 4 Wet RO
Van College van procureurs-generaal
Aan Hoofden van de parketten
Registratienummer 1998A004
Datum vaststelling
Datum inwerkingtreding
Publicatie in Staatscourant 1998, 82
Wetsbepalingen -
Jurisprudentie -
Bijlagen -

Vervolging

Met inachtneming van het vorenstaande dient de vervolgingsbeslissing tot stand te komen aan de hand van de volgende vraagpunten, waarbij de systematiek van de artikelen 348-350 Sv. is aangehouden.

1. Ontvankelijkheid
Allereerst dient te worden nagegaan of ambtenaren mogelijk uit eigen hoofde (en dus niet als opdrachtgever of feitelijk leidinggevende in de zin van artikel 51 Sr.) strafrechtelijk aansprakelijk gesteld moeten worden voor een door hen gepleegd (ambts)delict. Zo niet, dan komt vervolgens de vraag aan de orde of het een openbaar lichaam in de zin van hoofdstuk 7 van de Grondwet betreft. Zo ja, dan speelt de vraag of het gedragingen betreft die naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht. Indien dit laatste het geval is, dan dient t.a.v. het openbare lichaam een technisch sepot te volgen wegens niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Is het openbaar ministerie ontvankelijk, dan zijn de volgende vragen relevant.

2. Bewijs

Kernvragen zijn hier of er voldoende bewijs is voor daderschap en schuld bij het verdachte openbare lichaam, op wiens handelen respectievelijk nalaten de toerekening gebaseerd kan worden en of deze perso(o)n(en) ook een persoonlijk verwijt is te maken.

3. Strafbaarheid van het feit

Bij de beoordeling van dit vraagpunt komt de kern van het vervolgingsbeleid tot uitdrukking. De officier van justitie dient steeds zorgvuldig te toetsen of het openbare lichaam zich wellicht kan beroepen op een rechtvaardigingsgrond als gevolg van een wettelijk voorschrift (artikel 42 Sr.) of een conflict van belangen (artikel 40 Sr.). Hij dient daarbij rekening te houden met de diverse, vaak conflicterende publieke belangen die het openbare lichaam heeft te behartigen. Doet zich een rechtvaardigingsgrond voor, dan dient sepot te volgen (feit niet strafbaar).Ontbreekt een rechtvaardigingsgrond, dan dient nog getoetst te worden of een vervolging wel opportuun is. Daarbij zijn onder meer indicaties voor vervolging:

  • evident onrecht, bijv. een ernstige vorm van een commuun misdrijf
  • een opzettelijk gepleegde overtreding van zg. kernvoorschriften, bijv. op het gebied van milieu of arbeidsomstandigheden, met als gevolg een daadwerkelijke of dreigende ernstige aantasting van het te beschermen rechtsbelang;
  • ergerlijke recidive van al dan niet opzettelijk gepleegde overtredingen, die op zich weinig of geen schadelijke gevolgen hebben, maar door hun herhaling algemene ergernis opwekken.
Contra-indicaties voor vervolging zijn onder meer:
  • een handelen, waarvoor geen rechtvaardigingsgrond in strikte zin bestaat, maar dat toch gezien kan worden als de uitkomst van een in strafrechtelijke zin te respecteren bestuurlijke belangenafweging. Een aanwijzing daarvoor is een zorgvuldige bestuurlijke procedure;
  • een effectieve politieke, bestuurlijke of bestuursrechtelijke reactie.

In alle gevallen dat vervolging niet opportuun wordt geacht, dient sepot te volgen. Aan het sepot kunnen voorwaarden worden verbonden zoals het alsnog verrichten van hetgeen wederrechtelijk is nagelaten, tenietdoening van hetgeen wederrechtelijk is verricht en herstel van de oude toestand. Een sepot kan ook vergezeld gaan van een schriftelijke waarschuwing van de hoofdofficier van justitie.Als de officier van justitie tot vervolging overgaat, dan dient tevens de verantwoordelijke ambtenaar als feitelijk leidinggever te worden vervolgd, als hem persoonlijk een verwijt treft ten aanzien van de verboden gedraging van het openbaar lichaam.


4. Procedure vervolgingsbeslissing

De beslissing om al dan niet te vervolgen kan politiek of bestuurlijk gevoelig liggen. Van een dergelijke beslissing dient dan ook de hoofdofficier van justitie in kennis te worden gesteld. Het is vervolgens ter beoordeling van de hoofdofficier van justitie of hij, rekening houdend met de ernst van het feit, de politieke gevoeligheid van de zaak en de in het geding zijnde bestuurlijke verhoudingen, overleg met de procureur-generaal in zijn ressort aangewezen acht.Zowel in het geval van een beslissing tot vervolging alsook in het geval van een sepot licht de officier van justitie de (sectorale) toezichthouders in, zoals de Inspectie Milieuhygiëne, en/of het toezichthoudende hogere bestuursorgaan. Tevens wordt het betrokken openbare lichaam zelf geïnformeerd waarbij in de meer ernstige gevallen in overweging wordt gegeven ook het politieke controle-orgaan van de beslissing op de hoogte te stellen. Over beslissingen aangaande rijksoverheidsorganen wordt de minister van justitie geïnformeerd via het College.