Instructie invordering bewijzen van bevoegdheid in het kader van de Wet luchtvaart (2015I006)

In deze beleidsregel

Categorie
  • Verkeer
Van College van procureurs-generaal
Aan Hoofden van de OM-onderdelen
Registratienummer 2015I006
Datum inwerkingtreding
Relevante beleidsregels Richtlijn voor strafvordering vliegen onder invloed (2015R025)
Aanwijzing OM-strafbeschikking (2017A005)
Wetsbepalingen

Art. 11.7 Wet luchtvaart (WLv)

Bijlagen -

SAMENVATTING

In deze instructie worden regels gegeven voor de invordering van bewijzen van bevoegdheid of de hiermee gelijkgestelde buitenlandse  bewijzen van bevoegdheid in het kader van de Wet luchtvaart.

ACHTERGROND

De Wet luchtvaart (hierna WLv) kent een invorderingsbevoegdheid van bewijzen van bevoegdheid en/of de hiermee gelijkgestelde  buitenlandse bewijzen van bevoegdheid. Deze mogelijkheid is gekoppeld aan het bovenmatig gebruik van alcohol-, drugs- en/of psychotrope stoffen in de luchtvaart.

Definitiebepalingen

a. Bewijs van bevoegdheid:

1.       het bewijs afgegeven door de Minister van Verkeer en Waterstaat dat iemand het recht geeft een Nederlands luchtvaartuig te bedienen (te weten: het bewijs van bevoegdheid [art. 2.1, tweede lid, onder a WLv]) alsmede het bewijs van gelijkstelling;

2.       een bewijs van bevoegdheid afgegeven door de bevoegde autoriteit van een door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen staat of aangewezen internationale organisatie (te weten: het bewijs van bevoegdheid [art. 2.1, tweede lid, onder b WLv]), alsmede door die Staat of organisatie afgegeven bewijs van gelijkstelling);

3.       het bewijs afgegeven door de Minister van Verkeer en Waterstaat dat iemand het recht geeft luchtverkeersdienstverlening te geven (te weten: het bewijs van bevoegdheid [art. 2.1, tweede lid, onder a WLv]) alsmede het bewijs van gelijkstelling;

b. Ontzegging

het (tijdelijk) krachtens een rechterlijke uitspraak niet meer mogen verrichten van werkzaamheden in de zin van art. 11.11 eerste lid, onder a, b en c WLv.

c. Register:

het register van in Nederland afgegeven bewijzen van bevoegdheid en bewijzen van gelijkstelling, ondergebracht bij het KIWA register.

d. Alcoholdelict:

een overtreding van de artt. 2.12, eerste, tweede, derde en zesde lid, 11.5, vierde lid, 11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid en 11.8a WLv.

e: Politie

algemeen opsporingsambtenaren in de zin van art. 141 Wetboek van Strafvordering (WvSv).

OPSPORING EN VERVOLGING

  1. Vordering krachtens art. 11.7 WLv

1.1.  Algemeen

Op grond van art. 11.7, eerste lid onder a WLv, kan de opsporingsambtenaar het bewijs van bevoegdheid (of het bewijs van gelijkstelling) invorderen indien uit het onderzoek van de uitgeademde lucht of de bloedanalyse blijkt (of bij gebreke van deze onderzoeken, een ernstig vermoeden bestaat) dat het alcoholgehalte van het lid van het boordpersoneel hoger is dan 270 µg/l resp. 0,6‰[1]. Dit geldt op grond van art. 11.8a WLv eveneens voor luchtverkeersdienstverleners.  Art. 11.7, eerste lid WLv, is afgeleid van het eerste en tweede lid van art. 164 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Het verschil is echter, dat art. 164 WVW 1994 aan de opsporingsambtenaar de invordering bij de daar omschreven overtredingen verplicht voorschrijft, terwijl art. 11.7 WLv slechts een bevoegdheid tot invorderen creëert. De wetgever heeft deze afwijking van de Wegenverkeerswet niet gemotiveerd.

Gelet op het feit dat art. 164 WVW 1994 model heeft gestaan voor art. 11.7 WLv[2] en gelet op de hoge mate van verantwoordelijkheid van de groep tot wie deze bepaling zich richt, concludeert  het openbaar ministerie (hierna: OM) dat hier niet zozeer sprake is van een bevoegdheid tot invordering, maar van een invorderingsplicht, zoals deze ook geldt in art. 164 WVW 1994. Dat betekent concreet dat de opsporingsambtenaar in de gevallen zoals vermeld in art. 11.7, eerste lid onder a (en b) WLv, altijd het bewijs van bevoegdheid moet invorderen.

Het ingevorderde bewijs van bevoegdheid dient (tegelijk met het proces-verbaal van invordering) onverwijld verstuurd te worden aan de officier van justitie, die vervolgens over de verdere inhouding beslist (art. 11.7, tweede lid WLv). In de WVW 1994 is de inhoudingsgrens sinds 1 juni 2011 verlaagd en gelijkgesteld aan de invorderingsgrens. In tegenstelling tot de WVW 1994 kent de WLv echter geen  inhoudingsgrens. Nu de wetgever geen inhoudingsgrens heeft geformuleerd en dus sprake is van een discretionaire bevoegdheid van het OM, stelt het OM naar analogie van de systematiek van de WVW 1994 zelf een inhoudingsgrens vast: deze inhoudingsgrens is gelijk aan de invorderingsgrens. De grens vanaf welke de officier van justitie het bewijs van bevoegdheid dient in te houden, is daarmee bepaald op 0,6‰, oftewel 270 mg/l. Met deze grens – die tegelijkertijd aangeeft bij welk bloed- of ademalcoholgehalte het OM een onvoorwaardelijke ontzegging zal vorderen – wordt aangesloten bij de gedachte van de wetgever. De wetgever heeft reeds in 1995 aangegeven dat alcoholmisbruik in de luchtvaart een grotere gevaarzetting kent, aangezien de gevolgen van een ongeval met een luchtvaartuig veelal aanmerkelijk ernstiger zijn dan die van een ongeval op de weg.[3] De wetgever heeft om die reden ook de alcohollimieten in de artt. 2.12 en 11.7 WLv lager gesteld dan in de WVW 1994  . De per 1 juni 2011 doorgevoerde gelijkschakeling van de inhoudingsgrens aan de invorderingsgrens heeft plaatsgehad om strenger te kunnen optreden tegen ernstige verkeersovertredingen en een einde te maken aan de onevenwichtige en onwenselijke situatie waarbij de politie moest invorderen, terwijl de officier van justitie niet de bevoegdheid toekwam tot inhouding[4]. Het is gelet op het bovenstaande passend om ook in het voor de WLv geldende strafvorderingsbeleid de inhoudingsgrens gelijk te stellen aan de invorderingsgrens.

Door de vordering krachtens art. 11.7, eerste lid WLv (vordering tot overgifte) ontstaat voor de betrokken leden van het boord- en cockpitpersoneel, en – via art. 11.8a WLv – de luchtverkeersdienstverleners de verplichting tot overgifte[5]  van het aan hen afgegeven bewijs van bevoegdheid.

Het is van belang onderscheid te maken tussen “de vordering tot overgifte” enerzijds en de “invordering” anderzijds. De invordering is namelijk pas voltooid indien na de vordering tot overgifte het bewijs van bevoegdheid in handen is gekomen van een van de in art. 141 WvSv bedoelde personen. Eerst bij een voltooide invordering kan de aftrek ex art. 11.13, tweede lid WLv worden toegepast.

1.2. Procedure met betrekking tot de invordering

De politie moet nadrukkelijk de overgifte van het bewijs van bevoegdheid vorderen. Tevens wordt de verdachte er op gewezen dat hij zich schuldig maakt aan de overtreding van art. 11.7, eerste lid WLv indien hij geen gevolg geeft aan deze vordering[6].

De vordering tot overgifte is niet beperkt tot het tijdstip waarop en de plaats waar de verdachte is aan- of staandegehouden, maar kan ook daarna nog worden gedaan.[7]  Nadat het proces-verbaal van overtreding/misdrijf is voorzien van een datum van sluiting vervalt echter de bevoegdheid tot het doen van de vordering tot overgifte.[8]

Indien het bewijs van bevoegdheid is ingevorderd, wint de politie op de kortst mogelijke termijn inlichtingen in over eventueel recidivegevaar ten aanzien van de verdachte wiens bewijs van bevoegdheid is ingevorderd, zoals:

  1. eerdere processen-verbaal of veroordelingen[9] terzake van alcoholdelicten[10] gedurende een periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van invordering;
  2. de omstandigheid dat de verdachte bekend staat als een notoir gebruiker van alcohol, drugs of andere stoffen die de vaardigheid tot het verrichten van de hem – op basis van zijn bewijs vaan bevoegdheid danwel bewijs van gelijkstelling – toebedeelde werkzaamheden kan verminderen.

Deze of andere relevante informatie dient te worden vermeld in het proces‑verbaal van invordering. De politie verstrekt de recente recidivegegevens aan de officier van justitie. Na invordering dient het bewijs van bevoegdheid alsmede het proces‑verbaal van invordering en zo mogelijk ook het proces-verbaal van de overtreding onverwijld, zijnde uiterlijk de derde dag na de dag waarop het bewijs van bevoegdheid is ingevorderd in het bezit te zijn van de officier van justitie. Het proces‑verbaal van invordering dient in tweevoud te worden aangeboden.

Door de politie wordt zowel van de vordering tot overgifte als van de invordering onverwijld melding gemaakt in het betreffende register. Dit is met name van belang in verband met de controle op de naleving van het verbod gesteld in art. 11.12, tweede lid WLv.

Indien de vordering tot overgifte niet heeft geleid tot een invordering van het bewijs van bevoegdheid[11], wordt het proces‑verbaal in de hoofdzaak zo spoedig mogelijk, maar niet later dan zes weken na deze vordering, ingezonden aan de officier van justitie met een aanbiedingsbrief waarin op duidelijke wijze melding wordt gemaakt van het feit dat de vordering tot overgifte niet heeft geleid tot een invordering.

Deze regeling is getroffen teneinde de officier van justitie er attent op te maken dat wel de vordering tot overgifte heeft plaatsgevonden, maar de invordering van het bewijs van bevoegdheid achterwege is gebleven en om de verwijdering van de registratie uit het register bij de afdoening van deze zaken te kunnen bewaken.

De officier van justitie is er verantwoordelijk voor dat onverwijld de registratie in het register wordt beëindigd of de teruggave van het bewijs van bevoegdheid wordt geregistreerd in de hierna onder 1.4 te noemen gevallen, alsmede in de gevallen waarin de zaak om andere redenen niet verder zal worden vervolgd.

1.3. Inhouding bewijs van bevoegdheid door de officier van justitie

De officier van justitie beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien dagen na de dag van invordering omtrent de inhouding van het bewijs van bevoegdheid. De beslissing wordt aangetekend en gedateerd op het daarvoor bestemde gedeelte van het proces-verbaal van invordering. Daarbij wordt tevens de maximum termijn aangegeven gedurende welke het bewijs van bevoegdheid kan worden ingehouden. Ter bepaling van die termijn geldt als uitgangspunt de te verwachten duur van de ontzegging.

Ten aanzien van het verkrijgen van recidivegegevens dient gebruik te worden gemaakt van de justitiële documentatie, alsmede van actuele gegevens van het register. Van de beslissing tot inhouding wordt door een medewerker van het parket onverwijld melding gemaakt in het register.

Voor de criteria op grond waarvan de officier van justitie tot inhouding van het bewijs van bevoegdheid kan besluiten, zie paragraaf  2.4.

1.4. Teruggave van het bewijs van bevoegdheid door de officier van justitie

Het bewijs van bevoegdheid wordt onverwijld teruggegeven indien:

  1. het bewijs van bevoegdheid ten onrechte is ingevorderd, of
  2. de officier van justitie niet binnen tien dagen na de dag van invordering omtrent de inhouding heeft beslist , of
  3. na een beslissing tot inhouding het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet tijdig is aangevangen (waarbij moet worden aangetekend dat die misdrijven zoals genoemd in art. 11.7 WLv uiterlijk zes maanden na de dag van invordering op de terechtzitting moeten zijn aangebracht.[12]), of
  4. ernstig rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat geen onvoorwaardelijke ontzegging wordt opgelegd, of
  5. ernstig rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat een kortere onvoorwaardelijke ontzegging dan de tijd dat het bewijs van bevoegdheid ingevorderd of ingehouden is geweest, zal worden opgelegd, dan wel
  6. de vastgestelde inhoudingtermijn is verstreken.

Bij het onder d. en e. genoemde moet met name worden gedacht aan bewijzen van bevoegdheid van verdachten die nooit eerder een ontzegging opgelegd hebben gekregen en die om klemmende redenen van persoonlijke aard hun bewijs van bevoegdheid niet kunnen missen.

Het bewijs van bevoegdheid blijft ingehouden totdat de door de officier van justitie bepaalde inhoudingstermijn verstreken is. De officier van justitie dient in ieder geval het bewijs van bevoegdheid terug te geven na het verstrijken van de termijn als aangegeven bij de beslissing tot inhouding, ook in die gevallen dat het onderzoek van de zaak op de terechtzitting wel binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, doch nog niet heeft geleid tot een vonnis. Indien de rechter in eerste aanleg een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid heeft opgelegd, dient bij het instellen van hoger beroep het bewijs van bevoegdheid pas te worden teruggegeven als de termijn van deze ontzegging is verstreken.

De beslissing omtrent de teruggave wordt namens de officier van justitie door de bewijs van bevoegdheid- medewerker op het parket onverwijld gemeld aan de beheerder van het register.

De houder van het bewijs van bevoegdheid wordt ten spoedigste van de beslissing tot teruggave en van de mogelijkheid het bewijs van bevoegdheid ten parkette in ontvangst te nemen, in kennis gesteld.

1.5. Vermiste en gestolen bewijzen van bevoegdheid

Sommige verdachten kunnen in de problemen komen doordat zij - nadat de politie de vordering tot overgifte heeft gedaan – moeten constateren dat hun bewijs van bevoegdheid vermist dan wel gestolen is.

Zouden zij hun bewijs van bevoegdheid hebben overgegeven, dan zou de officier van justitie binnen tien dagen na de invordering tot inhouding of teruggave van het bewijs van bevoegdheid hebben beslist. Nu echter geen overgifte van het bewijs van bevoegdheid heeft plaatsgevonden, is er ook geen officier van justitie die zich over deze zaken buigt voordat het proces-verbaal in de hoofdzaak binnen de uiterste inzendtermijn (maximaal zes weken, zie 1.2) de officier van justitie bereikt.

Voor deze gevallen geldt daarom de volgende procedure:

  1. Er moet bij niet voltooide vorderingen tot overgifte een proces-verbaal van de vordering tot overgifte worden opgemaakt. Een kopie van de aangifte van vermissing / diefstal of een door de verbalisant bevestigde opmerking van aangifte / vermissing moet bij het proces-verbaal van de vordering tot overgifte worden gevoegd, dan wel moet van deze omstandigheid melding worden gemaakt in het relaas van het proces-verbaal van de vordering tot overgifte.
  2. Er dient géén proces-verbaal te worden opgemaakt voor overtreding van art. 11.7, eerste lid WLv, indien het niet voldoen aan de vordering verdachte niet kan worden verweten. Het betreft dan omstandigheden op grond waarvan verdachte niet tijdig heeft kunnen zorgen voor een vervangend bewijs van bevoegdheid.[13]
  3. Het proces-verbaal van de vordering tot overgifte dient onverwijld, doch uiterlijk binnen drie dagen na de vordering te worden opgestuurd naar de officier van justitie.
  4. Valt verdachte in de categorie ”teruggave bewijs van bevoegdheid” dan laat de officier van justitie zo spoedig mogelijk nadat het proces-verbaal is ontvangen, de melding in het register vervallen.

Bij de categorie “inhouding bewijs van bevoegdheid” moet er naar worden gestreefd, dat de zaken met een zelfde voortvarendheid worden afgedaan als bij een voltooide vordering tot overgifte.

1.6. Afstemming tussen het ressortsparket en het arrondissementsparket

Na de uitspraak in eerste aanleg en dus ook in geval van het instellen van hoger beroep door de officier van justitie of de veroordeelde past het arrondissementsparket de inhoudingstermijn aan, aan de in eerste aanleg opgelegde (on-)voorwaardelijke ontzegging. Het bewijs van bevoegdheid van veroordeelde blijft onder de officier van justitie[14]. Indien door tijds de aangepaste inhoudingstermijn verstrijkt, wordt het bewijs van bevoegdheid namens de advocaat--generaal[15] door de officier van justitie teruggegeven. Deze beslissing moet worden gemeld aan het ressortsparket.

Na een onherroepelijke uitspraak van het gerechtshof verstrekt het ressortsparket een extract van het arrest aan het arrondissementsparket. De aanpassing van het register geschiedt door het arrondissementsparket.

De berekende begin- en einddatum van de ontzegging worden door het arrondissementsparket aan het ressortsparket medegedeeld teneinde aan de executie van de (on-)voorwaardelijke ontzegging uitvoering te kunnen geven. .

In voorkomende gevallen worden - naar aanleiding van de beslissing op het gratieverzoek - herberekende begin- en einddatum van een ontzegging door het arrondissementsparket aan de beheerder van het register en aan het ressortsparket doorgegeven.

  1. Verrichten van werkzaamheden onder invloed (art. 11.7, eerste lid WLv (boordpersoneel) en art. 11.7, eerste lid WLv jo. art. 11.8a WLv (luchtverkeersdienstverleners)

2.1. Criteria aangaande de vordering tot overgifte.

De overgifte van het bewijs van bevoegdheid wordt gevorderd door een van de in artt. 141 en 142 WvSv bedoelde personen wanneer deze tegen de houder van dat bewijs van bevoegdheid een proces-verbaal opmaakt ter zake van een verdenking van een gepleegde overtreding van:

  1. 2.12, eerste lid WLv, terwijl er - het resultaat van een ademanalyse of een bloedonderzoek ontbreekt - een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte hoger is dan 270 mg/l, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed hoger is dan 0,6 milligram alcohol per milliliter bloed;
  2. art. 2.12, derde lid, aanhef en onder a WLv, terwijl uit het resultaat van de ademanalyse blijkt dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte hoger is dan 270 mg/l;
  3. art. 2.12, derde lid, aanhef en onder b WLv, terwijl uit het resultaat van het bloedonderzoek blijkt dat het alcoholgehalte van het bloed van verdachte hoger is dan 0,6 milligram alcohol per milliliter bloed;
  4. art. 11.6, tweede lid WLv;
  5. art. 11.6, zesde lid WLv;
  6. art. 11.6, achtste lid WLv;
  7. art. 11.6, negende lid WLv.

2.2.  Ontbreken van een resultaat van ademanalyse.

Het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte hoger is dan 270 mg/l wordt onder meer aanwezig geacht, indien ten tijde van de ademtest het selectieapparaat de waarde 'fail'[16] aangeeft.

Bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek kan een zodanig vermoeden worden gebaseerd op de toestand en het gedrag van verdachte[17] alsmede op verklaringen omtrent de door hem/haar genuttigde hoeveelheid alcoholhoudende drank. De politie dient de bevindingen omtrent het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 270 mg/l duidelijk in het invorderingsproces-verbaal te omschrijven.

2.3. Bloed- c.q. urineproef

Indien er sprake is van een bloed- of urineonderzoek, doet de politie het monster terstond per post toekomen aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het monster zal begeleid moeten worden door een kopie van het proces-verbaal van invordering bewijs van bevoegdheid. De uitslag van het onderzoek wordt door het NFI binnen zeven dagen na datum van de bloed- of urineafname bij voorkeur per fax doorgegeven aan de officier van justitie onder vermelding van het nummer van het proces-verbaal, naam, geboortedatum en -plaats van de verdachte, opdat de officier van justitie binnen tien dagen kan beslissen tot inhouding dan wel teruggave van het bewijs van bevoegdheid. Daarnaast geeft het NFI de uitslag schriftelijk door aan de politie. De politie voegt een kopie van het proces-verbaal van invordering bewijs van bevoegdheid bij het bloed- of urineblok. Deze procedure geldt niet voor de bloedproef als tegenonderzoek op verzoek van de verdachte.

2.4. Beslissing tot inhouding van het bewijs van bevoegdheid

De officier van justitie kan het bewijs van bevoegdheid inhouden indien:

  1. uit het resultaat van de ademanalyse blijkt dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte hoger is dan 270 mg/l, onderscheidenlijk uit het resultaat van het bloedonderzoek blijkt dat het alcoholgehalte van het bloed van verdachte hoger is dan 0,6 milligram alcohol per milliliter bloed of
  2. bij ontbreken van het resultaat van een ademanalyse of bloedonderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte hoger is dan 270 mg/l, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van verdachte hoger is dan 0,6 milligram alcohol per milliliter bloed of
  3. er op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte opnieuw een feit als bedoeld in het eerste lid van art. 11.7 WLv (dan wel feiten als de artt. 8 en/of 163 WVW 1994, dan wel de artt. 27 en 28a van de Scheepvaartverkeerswet) zal begaan (recidivecriterium).

Het enkele weigeren van medewerking aan de ademanalyse, de bloedproef of de urineproef is onvoldoende grond om het bewijs van bevoegdheid in te houden.

Het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 270 mg/l, kan worden onderbouwd met de uitslag van het bloed- of urineonderzoek (met een bloedalcoholgehalte van meer dan 0,6‰) en met de omschrijving van de toestand van verdachte in het invorderingsproces-verbaal.

Aan het recidivecriterium wordt geacht te zijn voldaan indien binnen een periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van invordering:

1.

a.               verdachte (on)herroepelijk is veroordeeld ter zake van een alcoholdelict uit de Wegenverkeerswet
1994, de Scheepvaartverkeerswet en/of de WLv, of

b.               een aan hem uitgereikte strafbeschikking ter zake van een alcoholdelict uit de Wegenverkeerswet
1994, de Scheepvaartverkeerswet en/of de WLv onherroepelijk is geworden, of

c.               verdachte een OM-transactie heeft voldaan ter zake van een alcoholdelict uit de WVW 1994, de Scheepvaartverkeerswet en/of de WLv, of

2.

de verdachte bekend staat als een frequent gebruiker van alcohol, drugs of andere stoffen die de vaardigheden die hij op grond van zijn bewijs van bevoegdheid mag verrichten, kunnen verminderen

OVERGANGSRECHT

Deze instructie is geldig met onmiddellijke ingang van de datum van inwerkintreding.

[1] De bevoegdheid tot invordering geldt op grond van art. 11.7, eerste lid onder b eveneens voor de overtredingen genoemd in art. 11.6, tweede, zesde, achtste en negende lid.

[2] Kamerstukken II1995/96, 24 513, nr. 3, p. 19 (MvT).

[3] Kamerstukken II 1995/96, 24 513, nr. 3, p. 11 (MvT).

[4] Kamerstukken II 2005/06, 30 3024, nr. 3, p. 4 en 37 (MvT).

[5] De woorden “Op de eerste vordering.........verplicht tot overgifte” impliceren dat er sprake moet zijn van een contact tussen de persoon die de overgifte van het bewijs van bevoegdheid vordert en de verdachte zodat de vordering niet mogelijk is, indien en zolang de bestuurder buiten bewustzijn is (HR 13 november 1962, NJ 1963, 26).

[6] Zie ook paragraaf 1.5.

[7] Vgl. HR 31 januari 1961, NJ 1961, 207.

[8] Vgl. HR 21 oktober 1958, NJ 1959, 5.

[9] Daaronder dient ook te worden verstaan de via de strafbeschikking opgelegde straf.

[10] Hierbij kan worden gedacht aan de artt. 2.12 en 11.6 van de WLv, de artt. 8 en 163 WVW 1994 en artt. 27 en 28a van de Scheepvaartverkeerswet en de artt. 426 en 453 WvSr.

[11] Zie ook paragraaf 1.5.

[12] De termijn waarbinnen zaken op de zitting moeten staan, is afhankelijk van de lengte van de minimumontzegging die standaard voor een dergelijk delict staat.

[13] Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 maart 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AO5324.

[14] Het ressortsparket is niet voorzien van een aansluiting op het register. Bovendien kan in dit register slechts één parketnummer per zaak worden geregistreerd.

[15]De advocaat-generaal blijft echter wel verantwoordelijk voor de executie van de (on)voorwaardelijke ontzegging.

[16] Dit komt overeen met een BAG van 0,6 promille.

[17] Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een constatering van dranklucht, onzekere gang en belemmerde spraak.