Instructie inzake de invordering van rijbewijzen (2015I007)

In deze beleidsregel

Categorie
  • Verkeer
Van College van procureurs-generaal
Aan Hoofden van de OM-onderdelen en korpschef van de Nationale Politie
Registratienummer 2015I007
Datum inwerkingtreding
Relevante beleidsregels Aanwijzing OM-strafbeschikking (2017A005)
Wetsbepalingen

Artikel 164 Wegenverkeerswet 1994

Bijlagen -

SAMENVATTING

Deze instructie gaat in op de vordering tot overgifte c.q. de invordering van het rijbewijs op grond van artikel 164 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Besproken worden de gevallen waarin de overgifte van het rijbewijs moet worden gevorderd en de gevallen waarin de overgifte van het rijbewijs kan worden gevorderd, alsmede de procedure die geldt voor de vordering tot overgifte en de invordering.

Verder geeft de instructie aan in welke gevallen de officier van justitie het ingevorderde rijbewijs kan inhouden en wat de daarbij te volgen procedure is. De instructie geeft tevens aan wanneer het ingevorderde of ingehouden rijbewijs door de officier van justitie moet worden teruggegeven.

Tot slot gaat de instructie in op de taakverdeling tussen het ressortsparket en het eerstelijnsparket, indien tegen een vonnis in eerste aanleg hoger beroep wordt ingesteld, terwijl het rijbewijs nog ingehouden is.

Deze instructie is ook van toepassing indien de zaak wordt aangeleverd met gebruikmaking van de ZSM-werkwijze.

2. OPSPORING

2.1 Beslissing tot invordering van het rijbewijs door de politie krachtens artikel 164 WVW 1994

2.1.1 Algemeen

Ingevolge artikel 164, eerste lid, WVW 1994 is de bestuurder van een motorrijtuig tegen wie proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens de WVW 1994 vastgesteld voorschrift, op de eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs. Niet-nakoming van deze verplichting is strafbaar gesteld als overtreding.[1] Bevoegd tot het doen van de vordering zijn de opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 en 142 Sv. In de praktijk wordt de bevoegdheid voornamelijk uitgeoefend door de politie.

Op grond van artikel 164, eerste lid, WVW 1994 kunnen niet alleen Nederlandse rijbewijzen, maar ook buitenlandse rijbewijzen en – in voorkomend geval – internationale rijbewijzen worden ingevorderd. Een internationaal rijbewijs is slechts een officiële vertaling van het daaraan ten grondslag liggende buitenlandse rijbewijs en kan daarom nooit afzonderlijk van dat buitenlandse rijbewijs worden ingevorderd.

De vordering tot overgifte kan alleen worden gericht tot bestuurders van motorrijtuigen. Artikel 164, eerste lid, WVW 1994 maakt daarbij geen onderscheid tussen rijbewijsplichtige en niet-rijbewijsplichtige motorrijtuigen. Dit betekent dat het rijbewijs ook kan worden ingevorderd, indien de verdachte een niet-rijbewijsplichtig motorrijtuig heeft bestuurd.[2] De vordering heeft altijd betrekking op alle categorieën waarvoor het rijbewijs is afgegeven.

De vordering tot overgifte kan niet worden gericht tot een bestuurder aan wie nimmer een rijbewijs is afgegeven.[3] De politie zal hierbij ook altijd het rijbewijzenregister moeten raadplegen.

Het is van belang onderscheid te maken tussen “de vordering tot overgifte” enerzijds en de “invordering” anderzijds. Van een invordering is pas sprake, indien het rijbewijs na de vordering tot overgifte daadwerkelijk in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar. Het onderscheid tussen de vordering tot overgifte en de invordering is om twee redenen van belang. Ten eerste gaat de wettelijke termijn van tien dagen waarbinnen de officier van justitie een beslissing moet nemen over de inhouding van het rijbewijs pas lopen als het rijbewijs daadwerkelijk is ingevorderd (artikel 164, zesde lid, WVW 1994). Ten tweede wordt alleen de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, in mindering gebracht op de duur van de ontzegging van de rijbevoegdheid (artikel 179, zesde lid, WVW 1994). Deze bepalingen gelden dus niet, indien de verdachte het gevorderde rijbewijs niet heeft overhandigd en het slechts bij een vordering tot overgifte is gebleven.

2.1.2 Door de politie te volgen procedure bij de vordering tot overgifte

De politie moet de overgifte van het rijbewijs nadrukkelijk vorderen. Daarbij dient de verdachte erop te worden gewezen dat hij zich schuldig maakt aan het misdrijf van artikel 9, zevende lid, WVW 1994, indien hij nadien een motorrijtuig gaat besturen dat behoort tot een categorie waarvoor het (in)gevorderde rijbewijs is afgegeven. Er moet sprake zijn van een bewust wederzijds contact tussen de vorderende opsporingsambtenaar en de verdachte. Een vordering tot overgifte kan dus niet worden gedaan, indien en zolang de verdachte buiten bewustzijn is.[4]

De overgifte van het rijbewijs kan niet alleen worden gevorderd op het tijdstip waarop en de plaats waar de verdachte is staande- of aangehouden, maar dit kan ook op een later moment nog worden gedaan.[5] Echter, nadat het proces-verbaal van overtreding/misdrijf is opgemaakt en voorzien van een datum van sluiting, vervalt de bevoegdheid tot het doen van de vordering tot overgifte.[6]

Indien na de vordering tot overgifte geen andere bestuurder beschikbaar is of de verdachte niet aanstonds voldoet aan de vordering tot overgifte van het rijbewijs, kan de politie het motorrijtuig onder toezicht stellen. Wanneer een wegsleepregeling van kracht is en de politie dat nodig acht, kan het motorrijtuig in bewaring worden gesteld (artikel 164, zevende lid, WVW 1994). De teruggave van het motorrijtuig vindt, tegen een ondertekend bewijs van ontvangst, plaats door de politie. Het motorrijtuig wordt pas teruggegeven, nadat de verdachte heeft voldaan aan de vordering tot overgifte van het rijbewijs of indien de officier van justitie zich niet langer verzet tegen de teruggave van het motorrijtuig (bijv. bij aangifte van vermissing/diefstal).

Indien de vordering tot overgifte niet heeft geleid tot een invordering van het rijbewijs (verdachte heeft volgens informatie uit het rijbewijzenregister wel een rijbewijs, maar kan het niet aan de verbalisant verstrekken), dient van deze omstandigheid duidelijk melding te worden gemaakt in het proces-verbaal van overtreding/misdrijf. Op deze wijze wordt de officier van justitie erop geattendeerd dat de vordering tot overgifte heeft plaatsgevonden, maar dat de invordering van het rijbewijs achterwege is gebleven, en kan bij de afdoening van de zaak de verwijdering van de registratie uit het rijbewijzenregister worden bewaakt. Het proces-verbaal van de vordering tot overgifte wordt, zo mogelijk samen met het proces-verbaal van overtreding/misdrijf, zo spoedig mogelijk, maar niet later dan twee weken na de dag van de vordering tot overgifte, ingezonden aan de officier van justitie.

De officier van justitie is er verantwoordelijk voor dat de registratie in het rijbewijzenregister onverwijld wordt beëindigd indien de overgifte van het rijbewijs ten onrechte is gevorderd, alsmede in de gevallen waarin de zaak niet (verder) zal worden vervolgd.

2.1.3 Vermiste of gestolen rijbewijzen

Een aantal bestuurders van motorrijtuigen kan na de vordering tot overgifte door de politie geen rijbewijs afgeven, omdat het rijbewijs vermist of gestolen is. De enkele stelling van de verdachte dat zijn rijbewijs vermist of gestolen is, is daarbij niet voldoende. Deze stelling moet op enige wijze onderbouwd kunnen worden. Hierbij kunnen de volgende situaties worden onderscheiden:
a. de verdachte overhandigt een kopie van een aangifte van vermissing/diefstal die door de verbalisant bij het proces-verbaal van de vordering tot overgifte wordt gevoegd;
b. de verbalisant vermeldt in het proces-verbaal van de vordering tot overgifte dat het hem bekend is c.q. dat hij heeft geverifieerd dat de verdachte aangifte van vermissing/diefstal heeft gedaan;
c. de verdachte overhandigt een kopie van een bij de gemeente ingevulde eigen verklaring van vermissing die door de verbalisant bij het proces-verbaal van de vordering tot overgifte wordt gevoegd, of
d. de verbalisant vermeldt in het proces-verbaal van de vordering tot overgifte dat het rijbewijs in het rijbewijzenregister geregistreerd staat als vermist/gestolen [7] .

Indien zich een van deze gevallen voordoet, wordt aangenomen dat er sprake is van een fictieve “invordering”. Hoewel er dus geen sprake is van een echte invordering, en de politie dus een proces-verbaal van vordering tot overgifte moet insturen naar het OM, wordt wat betreft de verdere procedure zo veel mogelijk aangesloten bij de werkwijze die geldt voor het geval waarin het rijbewijs daadwerkelijk is ingevorderd.[8] Voor deze vermiste of gestolen rijbewijzen geldt het volgende:

  1. Bij zaken bestemd voor het parket CVOM (zie paragraaf 3.1.6) dient het proces-verbaal van de vordering tot overgifte, samen met het proces-verbaal van overtreding/misdrijf, binnen vijf dagen na de dag van “invordering” te zijn ontvangen door het parket CVOM. Bij zaken die niet bestemd zijn voor het parket CVOM dient het proces-verbaal van de vordering tot overgifte binnen drie dagen na de dag van “invordering” in het bezit te zijn van de officier van justitie van het arrondissementsparket.
  1. In de hiervoor onder a en c genoemde gevallen geldt als de dag van “invordering” de dag waarop de kopie van de aangifte van vermissing/diefstal c.q. de kopie van de eigen verklaring van vermissing in het bezit is gekomen van de (eenheid van de) verbalisant of – bij rechtstreekse toezending door de verdachte aan het OM – de dag waarop de kopie is ontvangen door het OM. In de hiervoor onder b en d genoemde gevallen wordt als de dag van “invordering” aangemerkt de dag waarop de verbalisant de vordering tot overgifte heeft gedaan (ervan uitgaande dat de aangifte van vermissing/diefstal c.q. de registratie van de vermissing/diefstal in het rijbewijzenregister reeds vóór die dag heeft plaatsgevonden).
  1. Binnen tien dagen na de dag van “invordering” neemt de officier van justitie een beslissing over de “inhouding” van het rijbewijs. Als de verdachte in de categorie “teruggave rijbewijs” valt (zie paragraaf 4.3), laat de officier van justitie zo spoedig mogelijk nadat het proces-verbaal van de vordering tot overgifte is ontvangen, de melding in het rijbewijzenregister vervallen.

Indien de verdachte stelt dat zijn rijbewijs vermist of gestolen is, zónder dat zich één van de hiervoor onder a t/m d genoemde situaties voordoet, is de werkwijze zoals omschreven in paragraaf 3.1.2 van toepassing.

2.1.4 Inzendtermijnen indien het rijbewijs is ingevorderd

Het proces-verbaal van invordering dient altijd in enkelvoud te worden aangeboden.

Bij zaken bestemd voor het parket CVOM (zie paragraaf 3.1.6) dienen het ingevorderde rijbewijs, het proces-verbaal van invordering en het proces-verbaal van overtreding/misdrijf door de politie gelijktijdig aan dit parket te worden gestuurd. Binnen een termijn van vijf dagen na de dag van invordering van het rijbewijs dient het parket CVOM de processen-verbaal en het rijbewijs te ontvangen.

Bij zaken die niet bestemd zijn voor het parket CVOM geldt dat het ingevorderde rijbewijs, evenals het proces-verbaal van invordering, binnen een termijn van drie dagen na de dag waarop het rijbewijs is ingevorderd in het bezit dient te zijn van de officier van justitie van het arrondissementsparket.

2.1.5 Registratie in het rijbewijzenregister
Door de politie wordt zowel van de vordering tot overgifte als van de invordering onverwijld melding gemaakt in het rijbewijzenregister. In die gevallen waarin deze melding niet is/wordt uitgevoerd door de politie, is de officier van justitie ook bevoegd om de vordering tot overgifte of de invordering in het rijbewijzenregister te registreren (zie artikel 150, derde lid, Reglement rijbewijzen). De registratie in het rijbewijzenregister is vooral van belang in verband met de controle op de naleving van het verbod gesteld in artikel 9, zevende lid, WVW 1994 om te rijden na een vordering tot overgifte of een invordering van het rijbewijs.

2.1.6 Parket CVOM of arrondissementsparket?

In het voorgaande is onderscheid gemaakt tussen zaken die bestemd zijn voor het parket CVOM en zaken die bestemd zijn voor de arrondissementsparketten. In tabelvorm kunnen de werkzaamheden van het parket CVOM op hoofdlijnen als volgt worden onderscheiden van die van de arrondissementsparketten:

Tabel 1. Taakverdeling parket CVOM en arrondissementsparketten

Omschrijving zaakstroom

Parket CVOM

Arrondissementsparket

Artikel 8 of 163 WVW 1994

Ja, mits meerderjarige verdachte

Nee, tenzij minderjarige verdachte

Artikel 8 of 163 WVW 1994 + artikel 9 WVW 1994

Ja, mits meerderjarige verdachte

Nee, tenzij minderjarige verdachte

Artikel 8 of 163 WVW 1994 + artikel 5 WVW 1994 (geen aanrijding of aanrijding met alleen materiële schade)

Ja, mits meerderjarige verdachte en behoudens bijzondere omstandigheden

Nee, tenzij minderjarige verdachte of bijzondere omstandigheden

Artikel 8 of 163 WVW 1994 + artikel 5 WVW 1994 (aanrijding met letsel aan personen)

Nee

Ja

Artikel 8 of 163 WVW 1994 + artikel 6 WVW 1994

Nee

Ja

Snelheidsovertredingen (vallend onder het strafrecht)

Ja, zowel bij meerderjarige als bij minderjarige verdachten

Nee

Snelheidsovertredingen (vallend onder het strafrecht) + artikel 8, 9 of 163 WVW 1994

Ja, mits meerderjarige verdachte

Nee, tenzij minderjarige verdachte

Artikel 5 WVW 1994 (geen aanrijding of aanrijding met alleen materiële schade)

Ja, zowel bij meerderjarige als bij minderjarige verdachten, behoudens bijzondere omstandigheden

Nee, tenzij bijzondere omstandigheden

Artikel 5 WVW 1994 (aanrijding met letsel aan personen)

Nee

Ja

Artikel 6 WVW 1994

Nee

Ja

2.2 Inhoudelijke criteria waarbij de overgifte van het rijbewijs moet worden gevorderd (artikel 164, tweede lid, WVW 1994)

2.2.1 Rijden onder invloed van alcohol (artikel 164, tweede lid, onderdeel a en b, WVW 1994)

Een opsporingsambtenaar is verplicht om de overgifte van een rijbewijs te vorderen, wanneer deze tegen de bestuurder van een motorrijtuig een proces-verbaal opmaakt ter zake van overtreding van:

  1. “Ervaren bestuurders”:

- artikel 8 WVW 1994, indien bij een onderzoek als bedoeld in het tweede lid van die bepaling blijkt of, bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 µg/l, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 1,3 promille;

  1. Beginnende bestuurders die een rijbewijsplichtig motorrijtuig besturen[9]:

- artikel 8 WVW 1994, indien bij een onderzoek als bedoeld in het derde lid van die bepaling blijkt of, bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 350 µg/l, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 0,8 promille;

  1. Bestuurders aan wie deelname aan het alcoholslotprogramma (ASP) is opgelegd[10]:

- artikel 8 WVW 1994, indien bij een onderzoek als bedoeld in het vierde lid, aanhef en onderdeel b, juncto het derde lid, van die bepaling blijkt of, bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 350 µg/l, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 0,8 promille.

2.2.2 Weigeren van medewerking aan een onderzoek (artikel 164, tweede lid, onderdeel c, WVW 1994)

Voorts dient een opsporingsambtenaar de overgifte van een rijbewijs te vorderen, wanneer deze tegen de bestuurder van een motorrijtuig een proces-verbaal opmaakt ter zake van overtreding van artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid, WVW 1994. Het gaat hierbij respectievelijk om het weigeren van medewerking aan een ademonderzoek (tweede lid), een bloedonderzoek (zesde lid) of een urineonderzoek (achtste lid), alsmede om het (achteraf) weigeren van toestemming voor het verrichten van onderzoek aan een zonder toestemming van de verdachte afgenomen bloedmonster (negende lid).

2.2.3 Excessieve snelheidsovertredingen (artikel 164, tweede lid, onderdeel d en e, WVW 1994)

Daarnaast moet een opsporingsambtenaar de overgifte van een rijbewijs vorderen, wanneer deze de bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, heeft staande gehouden en hij tegen deze bestuurder een proces-verbaal opmaakt ter zake van een snelheidsovertreding waarbij de ter plaatse toegestane maximumsnelheid met 50 km/h of meer is overschreden.

Tot slot moet het rijbewijs worden ingevorderd, indien de bestuurder van een bromfiets wordt staande gehouden en de ter plaatse toegestane maximumsnelheid met 30 km/h of meer is overschreden.

2.3 Inhoudelijke criteria waarbij de overgifte van het rijbewijs kan worden gevorderd (artikel 164, derde lid, WVW 1994)

Ernstig in gevaar brengen van de veiligheid op de weg

De overgifte van het rijbewijs kan worden gevorderd, wanneer tegen de bestuurder van een motorrijtuig een proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens de WVW 1994 vastgesteld voorschrift, mits door deze overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht. Volgens de memorie van toelichting moet hierbij gedacht worden aan “gevallen van dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld waarbij de bestuurder niet onder invloed verkeerde (…) of aan ernstige overschrijdingen van de maximumsnelheid op plaatsen waar dit tot bijzondere gevaarzetting leidt, zoals binnen de bebouwde kom”.[11] Deze voorbeelden hebben geen uitputtend karakter. Noch de memorie van toelichting, noch de WVW 1994 zelf geeft een limitatieve opsomming van de overtredingen die binnen het bereik van deze bepaling vallen. Het is daarom moeilijk om een vastomlijnde leidraad te geven. Belangrijk is dat de overtredingen een zwaarwegend gevaarzettend karakter hebben.

Hierbij kunnen de volgende factoren een rol spelen:

  • er is sprake van een samenloop van twee of meer overtredingen die tezamen een groot risico opleveren voor de veiligheid van andere verkeersdeelnemers, dan wel
  • er is sprake van één zeer ernstige overtreding, waarbij niet sprake is van “slechts” hinder, maar van geconcretiseerde ernstige gevaarzetting.

Het gevaar kan zich hebben verwezenlijkt doordat er daadwerkelijk een ongeval heeft plaatsgevonden, maar dit hoeft niet. Onder omstandigheden kan het rijbewijs dus ook worden ingevorderd, indien een ongeval is uitgebleven (het is net goed afgelopen waar het evengoed verkeerd had kunnen gaan). Anderzijds is de enkele omstandigheid dat een ongeval heeft plaatsgevonden niet voldoende voor de conclusie dat er sprake is van ernstig gevaarzettend gedrag. Dit is steeds afhankelijk van de concrete gedragingen die tot het ongeval hebben geleid.

Overleg met de hulpofficier van justitie

Uitgangspunt bij het doen van een vordering tot overgifte blijft, dat er een inschatting moet worden gemaakt of de officier van justitie tijdens de terechtzitting een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal vorderen, dan wel deze ontzegging bij strafbeschikking zal opleggen. In de gevallen waarbij de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht, wordt, voordat de vordering tot overgifte wordt gedaan, eerst overlegd met de hulpofficier van justitie.[12]

2.4 Overige aandachtspunten voor de politie bij de invordering van het rijbewijs

2.4.1 Ontbreken van een resultaat van de ademanalyse

Het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 350 µg/l (beginnend bestuurder of bestuurder aan wie deelname aan het ASP is opgelegd) of 570 µg/l wordt onder meer aanwezig geacht, indien ten tijde van de ademtest het selectieapparaat de waarde “F”[13] aangeeft. Bij het ontbreken van een resultaat van de ademtest kan een zodanig vermoeden worden gebaseerd op de toestand en het gedrag van de bestuurder[14], alsmede op verklaringen omtrent de door hem/haar genuttigde hoeveelheid alcoholhoudende drank. De politie dient de bevindingen omtrent het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 350 µg/l (beginnend bestuurder of bestuurder aan wie deelname aan het ASP is opgelegd) of  570 µg/l duidelijk in het proces-verbaal van invordering te omschrijven.

2.4.2 Bloed- c.q. urineproef

Indien er sprake is van een bloed- of urineonderzoek, doet de politie het monster terstond per post of per koerier toekomen aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het monster zal begeleid moeten worden door een kopie van het proces-verbaal van invordering. De uitslag van het onderzoek wordt door het NFI binnen zeven dagen na de datum van de bloed- of urineafname per e-mail doorgegeven aan de officier van justitie onder vermelding van de naam en de geboortedatum van de verdachte, opdat de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering kan beslissen tot inhouding dan wel teruggave van het rijbewijs. Daarnaast geeft het NFI de uitslag schriftelijk door aan de politie.

Deze procedure geldt niet voor de bloedproef als tegenonderzoek op verzoek van de verdachte.

2.4.3 Recidivegevaar

Indien het rijbewijs is ingevorderd op grond van artikel 164, tweede lid, onderdeel c, WVW 1994 (weigeren van medewerking aan een onderzoek) of op grond van artikel 164, derde lid, WVW 1994 (ernstig in gevaar brengen van de veiligheid op de weg), wint de politie op korte termijn inlichtingen in over eventueel recidivegevaar van de verdachte. Deze gegevens dienen te worden vermeld in het proces-verbaal van invordering.

Indien het rijbewijs is ingevorderd wegens het weigeren van medewerking aan een onderzoek gaat het daarbij in ieder geval om eerdere processen-verbaal ter zake van artikel 8 of 163 WVW 1994 gedurende een periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van invordering. Maar ook andere informatie die een licht kan werpen op het alcoholverleden of actuele alcoholproblematiek van de verdachte dient in het proces-verbaal van invordering te worden opgenomen.

Indien het rijbewijs is ingevorderd wegens het ernstig in gevaar brengen van de veiligheid op de weg, is de scope breder en kan meer in algemene zin acht worden geslagen op de strafrechtelijke antecedenten van de verdachte op verkeersgebied. Het kan daarbij onder meer gaan om eerdere processen-verbaal wegens verkeersgevaarlijk gedrag, ernstige snelheidsovertredingen, rijden onder invloed en het veroorzaken van aanrijdingen. Daarnaast dient de politie in het proces-verbaal van invordering ook andere gegevens te vermelden die voor de officier van justitie van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van recidivegevaar.

In de gevallen waarin het rijbewijs verplicht is ingevorderd op grond van artikel 164, tweede lid, onderdeel a, b, d of e, WVW 1994 geldt er een wettelijk vermoeden van recidivegevaar (zie paragraaf 4.2.1) en is nadere informatie hieromtrent in het proces-verbaal van invordering dus niet nodig.

2.4.4 Invordering van buitenlandse rijbewijzen

Indien een rijbewijs verplicht moet worden ingevorderd op grond van artikel 164, tweede lid, WVW 1994, dient deze invordering ook plaats te vinden als de verdachte houder is van een buitenlands rijbewijs. Hetzelfde geldt indien er grond bestaat om het rijbewijs in te vorderen op grond van artikel 164, derde lid, WVW 1994. Er mag in dit opzicht dus geen onderscheid worden gemaakt tussen houders van Nederlandse rijbewijzen en houders van buitenlandse rijbewijzen. Op deze wijze wordt voorkomen dat houders van Nederlandse rijbewijzen ongelijk worden behandeld ten opzichte van houders van buitenlandse rijbewijzen. Het is dus nadrukkelijk niet de bedoeling dat in deze gevallen aan houders van buitenlandse rijbewijzen een schikking wordt aangeboden. Het buitenlandse rijbewijs dient door de politie te worden ingevorderd en naar het OM te worden gestuurd.

2.5 Samenloop strafrechtelijke en bestuursrechtelijke vordering tot overgifte

In het voorgaande stond de strafrechtelijke invordering van het rijbewijs op grond van artikel 164 WVW 1994 centraal. Daarnaast voorziet de WVW 1994 in bepaalde gevallen echter ook in de mogelijkheid dat een rijbewijs bestuursrechtelijk kan worden ingevorderd. Een bestuursrechtelijke invordering van het rijbewijs vindt plaats in het kader van de bestuursrechtelijke vorderingsprocedure ex artikel 130 e.v. WVW 1994. Aan een bestuursrechtelijke invordering ligt het vermoeden ten grondslag dat de houder van een rijbewijs onvoldoende rijvaardig dan wel onvoldoende lichamelijk of geestelijk geschikt is om motorrijtuigen te besturen. De gevallen waarin het rijbewijs bestuursrechtelijk moet worden ingevorderd, worden limitatief opgesomd in artikel 5 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.

Bij het gelijktijdig van toepassing zijn van zowel een strafrechtelijke als een bestuursrechtelijke verplichting tot invordering van het rijbewijs zal ten aanzien van het fysieke rijbewijs voorrang worden gegeven aan de strafrechtelijke invordering. Dit betekent dat het rijbewijs door de politie naar het OM moet worden gestuurd. Deze samenloop tussen beide invorderingsplichten doet zich in de praktijk het meeste voor bij alcoholdelicten. De gevallen waarin het rijbewijs strafrechtelijk moet worden ingevorderd wegens rijden onder invloed komen namelijk deels overeen met de gevallen waarin het rijbewijs bij deze delicten bestuursrechtelijk moet worden ingevorderd. Zoals hiervoor is aangegeven, prevaleert in deze gevallen de strafrechtelijke verplichting tot invordering. Dit betekent dat de politie het rijbewijs invordert op grond van artikel 164 WVW 1994 en naar het OM stuurt.

Indien er alleen een bestuursrechtelijke verplichting tot invordering van het rijbewijs bestaat, stuurt de politie het rijbewijs direct naar het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

Het is van belang dat de politie in het proces-verbaal van de vordering tot overgifte c.q. het proces-verbaal van invordering ondubbelzinnig aangeeft op welke grond het rijbewijs is ingevorderd: artikel 164 of artikel 130 WVW 1994. Deze grond dient altijd overeen te komen met de grond die in het rijbewijzenregister is opgenomen, zodat daarover geen misverstand kan bestaan.

Specifieke bepalingen ten aanzien van deelnemers aan het alcoholslotprogramma (ASP)

Op grond van artikel 130, derde lid, WVW 1994 juncto artikel 5, aanhef en onderdeel o, Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 moet een rijbewijs bestuursrechtelijk worden ingevorderd, indien ten aanzien van een deelnemer aan het ASP proces-verbaal wordt opgemaakt op verdenking van overtreding van:

  • artikel 8, vierde lid, aanhef en onderdeel b, juncto het derde lid, WVW 1994 (rijden onder invloed van alcohol met een alcoholgehalte van meer dan 88 µg/l resp. 0,2 promille), of
  • artikel 9, negende lid, WVW 1994 (o.a. rijden zonder alcoholslot en rijden met een niet-werkend alcoholslot)[15].

In deze gevallen dient de politie een mededeling ex artikel 130 WVW 1994 op te maken en samen met het rijbewijs op te sturen naar het CBR. Het CBR zal het ASP vervolgens beëindigen en het rijbewijs met code 103 ongeldig verklaren.[16] Overigens geldt ook hier dat bij samenloop met een strafrechtelijke verplichting tot invordering op grond van artikel 164 WVW 1994, de strafrechtelijke invordering voorrang heeft. Het rijbewijs dient in dat geval dus samen met het proces-verbaal van invordering en het proces-verbaal van misdrijf naar het OM gestuurd te worden. Het CBR ontvangt van de politie dan alleen een mededeling ex artikel 130 WVW 1994, zodat het ASP kan worden beëindigd.

3. VERVOLGING

3.1 Beslissing tot inhouding van het rijbewijs door het Openbaar Ministerie

3.1.1 Algemeen

Uitsluitend de officier van justitie kan het rijbewijs inhouden. De aard van de bevoegdheid verzet zich tegen mandatering aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar.[17]

3.1.2 Procedure

De officier van justitie beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien dagen na de dag van invordering over de inhouding van het rijbewijs. E.e.a. met inachtneming van de Algemene Termijnenwet. Dit betekent dat een termijn die eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.[18] De beslissing wordt genoteerd en gedateerd op het daarvoor bestemde gedeelte van het proces-verbaal van invordering. Daarbij wordt tevens de maximumtermijn aangegeven gedurende welke het rijbewijs kan worden ingehouden. Ter bepaling van die termijn geldt als uitgangspunt de te verwachten duur van (het onvoorwaardelijke deel van) de ontzegging van de rijbevoegdheid.

Ten aanzien van het verkrijgen van recidivegegevens dient gebruik te worden gemaakt van de justitiële documentatie. Tevens wordt rekening gehouden met de gegevens die door de politie zijn aangeleverd (zie paragraaf 3.4.3). Van de beslissing tot inhouding wordt door een medewerker van het parket CVOM of het arrondissementsparket melding gemaakt in het rijbewijzenregister.

3.2 Inhoudelijke gronden tot inhouding van het rijbewijs (artikel 164, vierde lid, WVW 1994)

Op grond van artikel 164, vierde lid, WVW 1994 is de officier van justitie bevoegd om een ingevorderd rijbewijs in te houden in de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan.

Er moet dus onderscheid worden gemaakt tussen gevallen waarin het rijbewijs is ingevorderd op grond van artikel 164, tweede lid, onderdeel a, b, d of e, WVW 1994 enerzijds en gevallen waarin invordering van het rijbewijs heeft plaatsgevonden op grond van artikel 164, tweede lid, onderdeel c, of derde lid, WVW 1994 anderzijds. Deze categorieën worden hierna uitgewerkt.

3.2.1 Inhouding bij rijden onder invloed van alcohol en bij snelheidsovertredingen

De verwijzing naar artikel 164, tweede lid, onderdeel a en b, heeft betrekking op de situatie waarin het rijbewijs is ingevorderd wegens rijden onder invloed van alcohol (zie paragraaf 3.2.1). Bij het ontbreken van een resultaat van de ademanalyse kan het ernstig vermoeden dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 350 µg/l (beginnend bestuurder of bestuurder aan wie deelname aan het ASP is opgelegd) of 570 µg/l worden onderbouwd met de omschrijving van de toestand van de verdachte in het proces-verbaal van invordering (zie paragraaf 3.4.1).

Met de verwijzing naar artikel 164, tweede lid, onderdeel d en e, WVW 1994 wordt gedoeld op de situatie waarin het rijbewijs is ingevorderd wegens een excessieve snelheidsovertreding (zie paragraaf 3.2.3).

In al deze gevallen koppelt artikel 164, vierde lid, WVW 1994 de bevoegdheid tot inhouding niet aan een nadere voorwaarde. Volgens de Hoge Raad moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat, indien het rijbewijs op één van de hiervoor genoemde gronden is ingevorderd, steeds sprake is van een wettelijk vermoeden van recidivegevaar ter zake van die gevallen en dat de officier van justitie bijgevolg in dergelijke gevallen bevoegd is dat rijbewijs onder zich te houden, tenzij gelet op bijzondere omstandigheden toch niet gezegd kan worden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling, en behoudens klemmende redenen om van die maatregel af te zien.[19] Indien het rijbewijs is ingevorderd op grond van artikel 164, tweede lid, onderdeel a, b, d of e, WVW 1994 kan het rijbewijs in beginsel dus tevens worden ingehouden.

3.2.2 Inhouding bij weigeren van medewerking aan een onderzoek

In de opsomming van artikel 164, vierde lid, WVW 1994 ontbreekt een verwijzing naar artikel 164, tweede lid, onderdeel c, WVW 1994.[20] Het gaat daarbij om gevallen waarin het rijbewijs is ingevorderd omdat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek (zie paragraaf 3.2.2). Indien het rijbewijs op deze grond is ingevorderd, bestaat er dus géén wettelijk vermoeden van recidivegevaar en kan het rijbewijs slechts worden ingehouden, indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling. Het enkele weigeren van medewerking aan de ademanalyse, de bloedproef of de urineproef is dus onvoldoende grond om het rijbewijs in te houden. Er moeten andere omstandigheden aanwezig zijn waaruit het recidivegevaar kan worden afgeleid.

Aan het criterium van het recidivegevaar wordt in elk geval[21] geacht te zijn voldaan, indien binnen een periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van invordering:

  1. de verdachte al dan niet onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een alcoholdelict[22];
  2. aan de verdachte een al dan niet onherroepelijk geworden strafbeschikking is uitgevaardigd ter zake van een alcoholdelict;
  3. de verdachte een OM-transactie ter zake van een alcoholdelict heeft voldaan, of
  4. de verdachte twee of meermalen eerder is geverbaliseerd ter zake van een alcoholdelict.

Daarnaast kunnen bij de beoordeling ook andere omstandigheden worden meegewogen, zoals het feit dat de verdachte bekend staat als frequent gebruiker van alcohol, drugs of andere stoffen die de rijvaardigheid kunnen verminderen.

3.2.3 Inhouding als de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht

Op grond van het gestelde in artikel 164, derde lid, WVW 1994 bestaat voor een politieambtenaar een invorderingsbevoegdheid als door een overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht (zie paragraaf 3.3). Indien het rijbewijs op deze grond is ingevorderd, bestaat er geen wettelijk vermoeden van recidivegevaar. Inhouding van het rijbewijs is in deze gevallen dus slechts mogelijk, indien op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden gezegd dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte opnieuw een feit als bedoeld in artikel 164, tweede of derde lid, WVW 1994 zal begaan. Indien een rijbewijs op grond van artikel 164, derde lid, WVW 1994 is ingevorderd, is de verdachte voor een periode van maximaal 10 dagen zijn rijbewijs “kwijt”. Gedurende die periode dient het OM te bepalen of er voldoende grond bestaat voor inhouding. Het recidivegevaar kan onder meer worden afgeleid uit het feit dat de verdachte eerder met justitie in aanraking is geweest wegens verkeersgevaarlijk gedrag, ernstige snelheidsovertredingen, rijden onder invloed of het veroorzaken van aanrijdingen. Als er geen sprake is van recidivegevaar, dient het rijbewijs door het OM te worden teruggegeven.

3.3 Teruggave van het rijbewijs door de officier van justitie (artikel 164, zesde lid, WVW 1994)

Het rijbewijs wordt door de officier van justitie onverwijld teruggegeven, indien:

  1. het rijbewijs ten onrechte is ingevorderd;
  2. de officier van justitie niet binnen tien dagen na de dag van invordering over de inhouding heeft beslist (met inachtneming van de Algemene Termijnenwet[23]);
  3. ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden opgelegd;
  4. ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden opgelegd van langere duur dan de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest;
  5. bij misdrijven: het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden[24] na de dag van invordering is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd;
  6. bij overtredingen: het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen vier maanden na de dag van invordering is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd;
  7. de door de officier van justitie vastgestelde inhoudingstermijn is verstreken, dan wel
  8. de raadkamer de teruggave van het rijbewijs heeft gelast.

Bij het hiervoor onder c genoemde geval moet vooral worden gedacht aan rijbewijzen van verdachten die nooit eerder een ontzegging van de rijbevoegdheid hebben gekregen en die om klemmende redenen van persoonlijke aard hun rijbewijs niet kunnen missen.

Ten aanzien van de hiervoor onder e en f genoemde gevallen geldt dat artikel 164, zesde lid, WVW 1994 maar één termijn noemt als uiterste termijn waarbinnen het onderzoek ter terechtzitting moet zijn aangevangen c.q. een strafbeschikking moet zijn uitgevaardigd, en dat is een termijn van zes maanden. Deze bepaling maakt dus geen onderscheid tussen misdrijven en overtredingen. Binnen het OM wordt er echter voor gekozen om bij overtredingen een kortere termijn te hanteren, namelijk een termijn van vier maanden. Dit vanwege het feit dat de duur van de te vorderen ontzegging van de rijbevoegdheid bij veel overtredingen korter is dan zes maanden.

Teruggave van het rijbewijs aan de houder vindt niet plaats, indien het OM op grond van artikel 164, zesde lid, WVW 1994 een doorzendplicht heeft. Voordat het rijbewijs wordt teruggegeven, dient dus altijd eerst de status van het rijbewijs te worden gecontroleerd aan de hand van informatie uit het rijbewijzenregister. Indien daaruit blijkt dat er ook nog andere rijbewijssancties of -maatregelen zijn geregistreerd, wordt het rijbewijs doorgeleid naar de instantie bij wie de houder het rijbewijs had dienen in te leveren.

De beslissing tot teruggave of doorzending van het rijbewijs wordt namens de officier van justitie door de rijbewijsmedewerker onverwijld gemeld in het rijbewijzenregister. Indien het rijbewijs wordt teruggegeven door het parket CVOM wordt de houder ten spoedigste per aangetekende post van de beslissing tot teruggave in kennis gesteld. Het rijbewijs wordt bij deze kennisgeving gevoegd. Bij teruggave van het rijbewijs door het arrondissementsparket wordt de houder ten spoedigste schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot teruggave en van de mogelijkheid om het rijbewijs ten parkette in ontvangst te nemen. Van een beslissing tot doorzending van het rijbewijs wordt de houder eveneens schriftelijk in kennis gesteld.

3.4 Hoger beroep: afstemming tussen het ressortsparket en het eerstelijnsparket

Na de uitspraak in eerste aanleg en dus ook in geval van het instellen van hoger beroep door de officier van justitie of de veroordeelde past de rijbewijsmedewerker bij het eerstelijnsparket de inhoudingstermijn aan aan de duur van de in eerste aanleg opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid. Het rijbewijs van de veroordeelde blijft onder de officier van justitie. Indien door het verloop van tijd de aangepaste inhoudingstermijn verstrijkt, wordt het rijbewijs namens de advocaat-generaal door de officier van justitie teruggegeven. Deze beslissing moet worden gemeld aan het ressortsparket.

Na een onherroepelijk arrest van het gerechtshof is het ressortsparket verantwoordelijk voor de executie van de ontzegging van de rijbevoegdheid. Het eerstelijnsparket stuurt het rijbewijs, indien dit nog is ingehouden, in dat geval door naar het ressortsparket.


OVERGANGSRECHT

Deze instructie is geldig met ingang van de datum van inwerkingtreding.

[1] Zie artikel 177, eerste lid, aanhef en onderdeel a, juncto artikel 178, tweede lid, WVW 1994. Een vervolging op basis van artikel 184 Sr is in een dergelijk geval niet mogelijk, aangezien artikel 164, eerste lid, WVW 1994 geen “uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid” bevat. Vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:199.

[2] HR 17 januari 1967, NJ 1967, 294.

[3] De opsporingsambtenaar dient in dat geval wel (tevens) proces-verbaal op te maken wegens overtreding van artikel 107, eerste lid, WVW 1994.

[4] HR 13 november 1962, NJ 1963, 26.

[5] HR 31 januari 1961, NJ 1961, 207.

[6] HR 21 oktober 1958, NJ 1959, 5.

[7] Deze registratie wordt verricht door de gemeente indien de betrokkene een nieuw rijbewijs aanvraagt.

[8] Dit vanwege het feit dat de verdachte in de onmogelijkheid verkeert om aan de verplichting tot overgifte van het rijbewijs te voldoen. Zolang de vordering tot overgifte geregistreerd staat in het rijbewijzenregister, geeft de gemeente immers geen nieuw rijbewijs af dat de verdachte zou kunnen inleveren. Zie artikel 112, eerste lid, aanhef en onderdeel b, WVW 1994.

[9] Bestuurt een beginnend bestuurder een niet-rijbewijsplichtig motorrijtuig, dan is de norm voor “ervaren bestuurders” van toepassing. Zie voor een opsomming van de niet-rijbewijsplichtige motorrijtuigen: artikel 108, eerste lid, aanhef en onderdeel a, WVW 1994.

[10] De hierna genoemde grenswaarden zijn van toepassing tot het moment waarop de verdachte na succesvolle afronding van het ASP een nieuw rijbewijs zonder code 103 heeft verkregen.

[11] Zie Kamerstukken II 1990-1991, 22 030, nr. 3, p. 145-146.

[12] Het enkele feit dat de hulpofficier van justitie niet direct (lijfelijk dan wel telefonisch) beschikbaar is, rechtvaardigt geen aanhouding van de verdachte.

[13]  De aanduiding “F” (fail) duidt erop dat het ademtestresultaat bij een geslaagde ademanalyse waarschijnlijk meer dan 650 µg/l bedraagt. De waarde “A” (alert) van het ademtestresultaat duidt op een waarde tussen 300 en 650 µg/l.

[14]  Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een constatering van dranklucht, onzekere gang en belemmerde spraak.

[15] Het verbod van artikel 9, negende lid, WVW 1994 geldt niet voor bestuurders van bromfietsen en bestuurders van niet-rijbewijsplichtige motorrijtuigen.

[16] Zie artikel 132, tweede lid, WVW 1994 juncto artikel 20, aanhef en onderdeel h en i, Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.

[17] HR 23 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AG3621.

[18] Als algemeen erkende feestdag worden aangemerkt: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei. De Goede Vrijdag wordt met de hiervoor genoemde dagen gelijkgesteld.

[19] HR 11 maart 2014, NJ 2014, 375, met verwijzing naar HR 3 juni 1997, NJ 1997, 548.

[20] In het in de vorige voetnoot genoemde arrest van 11 maart 2014 werd dit door de Hoge Raad over het hoofd gezien.

[21] Het geval waarbij korte tijd na een eerdere teruggave van het rijbewijs wederom datzelfde rijbewijs is ingevorderd, voordat van de eerdere situatie een proces-verbaal is opgemaakt, leent zich in beginsel ook voor een beslissing tot inhouding van het rijbewijs.

[22] Hierbij kan worden gedacht aan artikel 8, artikel 163 en artikel 6 jo. 175, derde lid, WVW 1994.

[23] Dit betekent dat een termijn die eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Zie verder voetnoot 18.

[24] Redelijke wetstoepassing brengt mee dat het begrip “maand” in artikel 164, zesde lid, WVW 1994 wordt verstaan als een termijn van 30 dagen. Zie HR 13 oktober 1998, NJ 1999, 178. Vgl. HR 10 april 2012, NJ 2012, 266.