Instructie snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers (2018I001)

In deze beleidsregel

Categorie
  • Verkeer
Van College van procureurs-generaal
Aan Hoofden van de OM-onderdelen, korpschef van de politie
Registratienummer 2018I001
Datum inwerkingtreding
Vervallen Instructie snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers (2015I001)
Relevante beleidsregels Aanwijzing meting snelheidsoverschrijdingen (2015A005)
Aanwijzing inbeslagneming (2014A006)
Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen (2017R005)
Aanwijzing OM-strafbeschikking (2017A005)
Wetsbepalingen

Regeling meetmiddelen politie
artikelen 20, 21, 22 en 62 RVV 1990
artikelen 5.3.15, 5.3a.15 en 6.5 Regeling voertuigen

Bijlagen -

SAMENVATTING

Deze instructie geeft regels voor de opsporing en vervolging van snelheidsoverschrijdingen en van overtredingen van regels met betrekking tot de snelheidsbegrenzers in bedrijfsauto’s en bussen.

ACHTERGROND

  1. Snelheidsmeters

Bij de vaststelling van strafbare feiten en gedragingen zoals snelheidsovertredingen worden meetmiddelen gebruikt. Deze meetmiddelen moeten voldoen aan de voorschriften die bij of krachtens de Regeling meetmiddelen politie zijn vastgesteld en voor het toegepaste gebruik zijn goedgekeurd door een daartoe bevoegde instantie. In de regeling zijn meetmiddelen opgenomen die gebruikt worden door de politie en de eisen waaraan deze meetmiddelen moeten voldoen. In deze regeling is de standaard in politievoertuigen ingebouwde boordsnelheidsmeter níet opgenomen.

Voor wat betreft de opsporing en vervolging van snelheidsoverschrijdingen gaat deze instructie in op onder andere de instelwaarde van de snelheidsmeetapparatuur, de te corrigeren marges en enkele aan het proces-verbaal te stellen eisen.

  1. Snelheidsbegrenzers

Voor de handhaving zijn de artikelen 5.3.15 en 5.3a.15 Regeling voertuigen (hierna:  RV) van belang, omdat hier de permanente eisen ten aanzien van snelheidsbegrenzers zijn opgenomen. In deze artikelen wordt aangegeven aan welke eisen snelheidsbegrenzers moeten voldoen en met ingang van welke datum bepaalde categorieën bedrijfsauto’s en bussen moeten zijn voorzien van een goedgekeurde snelheidsbegrenzer.[1]

Voor wat betreft de opsporing en vervolging van voertuigen die niet zijn voorzien van een (goed functionerende) snelheidsbegrenzer, gaat deze instructie in op de samenloop met snelheidsovertredingen en  geeft deze aan wie vervolgd moet worden als geen (goed functionerende) snelheidsbegrenzer aanwezig is.

DEFINITIES [2]

Bedienaar
Persoon die beschikt over de opsporingsbevoegdheid en die is opgeleid om de gebruikte snelheidsmeter voor de opsporing van snelheidsoverschrijdingen te gebruiken.

Detectorsnelheidsmeter (bijvoorbeeld lusdetector)
Meetinstrument voor het meten van de snelheid van voertuigen, waarbij de snelheidsmeting plaatsvindt door middel van het automatisch detecteren van het tijdsverloop tussen ten minste drie achtereenvolgende voertuigposities door middel van afzonderlijke detectiesystemen die zich op een in het meetmiddel vastgelegde vaste afstand bevinden.

Gecorrigeerde of werkelijke snelheid
Snelheid die wordt vastgesteld als van de gemeten snelheid de maximaal toelaatbaar geoordeelde meetfout van de meetapparatuur is afgetrokken.

Gekalibreerde boordsnelheidsmeter
Gekalibreerde snelheidsmeter van een dienstmotorvoertuig waar een op het moment van controle geldig kalibratiecertificaat voor is afgegeven.

Gemeten snelheid
Snelheid van een voertuig die met behulp van een snelheidsmeter werd vastgesteld. Voor het bepalen van de gemeten snelheid bij boordsnelheidsmeters moet de van de snelheidsmeter afgelezen snelheid worden gecorrigeerd conform de op de kalibratietabel  vermelde gemeten snelheid.

Lasersnelheidsmeter
Meetinstrument voor het meten van de snelheid van voertuigen, waarbij gebruik gemaakt wordt van door het voertuig gereflecteerd laserlicht.

Maximumsnelheid
Op basis van regelgeving ter plaatse toegestane maximumsnelheid van een voertuig.

Meetplaats
De locatie waar het voertuig zich bevindt op het moment dat de snelheid wordt gemeten.

Mobiele radarsnelheidsmeter
Radarsnelheidsmeter aangebracht in een meetvoertuig, waarbij gebruik wordt gemaakt van het door het gemeten voertuig gereflecteerde microgolfsignaal. Het voertuig waarin de radarsnelheidsmeter is geplaatst, moet voorzien zijn van een snelheidsmeter waarmee de voertuigsnelheid wordt gemeten. De waarneming van de snelheid berust op de som van twee snelheden, namelijk de snelheid gemeten met de radar en de snelheid van het voertuig waarin de radarsnelheidsmeter is opgesteld.

Mobiele trajectsnelheidsmeter
In een meetvoertuig aangebrachte trajectsnelheidsmeter waarmee zowel de lengte van het meettraject als de tijdsduur van de passage van het meettraject wordt bepaald, waarna de gemiddelde snelheid wordt berekend.

Radarsnelheidsmeter       
Meetinstrument voor het meten van de snelheid van voertuigen, waarbij gebruik wordt gemaakt van het door het gemeten voertuig gereflecteerd microgolfsignaal.

Trajectsnelheidsmeter
Meetinstrument voor het meten van de snelheid van voertuigen, waarbij de tijdsduur van passage van het meettraject (de afstand die voor de berekening van de rijsnelheid wordt gebruikt) wordt bepaald door middel van visuele bepaling van de positie danwel door automatische bepaling van de positie met detectiesystemen waartussen de afstand meer bedraagt dan 200 m en tevens meer bedraagt dan 200 maal de positiebepalingszone.

OPSPORING

  1. Bevoegdheden van (buitengewoon) opsporingsambtenaren

Bij de inzet van (buitengewoon) opsporingsambtenaren is het belangrijk om onderscheid te maken tussen voor de opsporing van belang zijnde handelingen, opsporingshandelingen en overige handelingen.

1.1 Bevoegdheden van buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s)

Afhankelijk van de inhoud van het besluit zoals door het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt afgegeven, mogen de onder 1.2 genoemde opsporingshandelingen door een BOA worden uitgevoerd.

1.2 Geautomatiseerde snelheidscontrole met behulp van digitale apparatuur

Een geautomatiseerde snelheidscontrole waarbij gebruik wordt gemaakt van digitale apparatuur, valt in de volgende fasen te verdelen:

  1. het plaatsen, afstellen en inwerkingstellen van de camera / radar, of
  2. het plaatsen, afstellen en inwerkingstellen van een mobiel volledig geautomatiseerd digitaal systeem of het inwerkingstellen van een vast opgesteld volledig geautomatiseerd digitaal systeem;
  3. indien van toepassing het verrichten van handelingen met digitale gegevens;
  4. het uitlezen[3] van de digitale gegevens;
  5. het opmaken en tekenen van het proces-verbaal.

Uitwerking fasen

Fase a en b: voor of bij het in gebruik stellen van deze apparatuur overtuigt een opsporingsambtenaar zich van de goede werking, afstelling en plaatsing ervan. De opsporingsambtenaar legt deze controle vast in een daartoe bestemde rapportage of proces-verbaal van bevindingen. Als sprake is van een volledig digitaal geautomatiseerd systeem, dan vermeldt hij altijd het tijdstip van ingebruikstelling. Bij deze fasen is strikt genomen geen sprake van opsporingshandelingen, maar deze fasen zijn voor de opsporing van zodanig cruciaal belang dat deze werkzaamheden door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar moeten worden uitgevoerd.

Fase c: Alles wat met de digitale gegevens gebeurt tussen het moment van constatering van de overtreding en het inlezen van deze gegevens in de verwerkingsapparatuur moet worden vastgelegd door een daarmee belaste ambtenaar in een daartoe bestemde rapportage of proces-verbaal van bevindingen.[4] Bijvoorbeeld: als de overtredingsgegevens van het handhavingssysteem al dan niet met behulp van een gegevensdrager, zoals een USB-stick, worden overgezet en ingelezen in de verwerkingsapparatuur , moet dit worden verantwoord volgens een daartoe opgestelde AO-procedure.[5] Het is immers voor de bewijskracht van het grootste belang dat de betrouwbaarheid en volledigheid van de overtredingsgegevens worden gegarandeerd en kunnen worden gecontroleerd.

Het gestelde onder fase c is niet van toepassing op bijvoorbeeld trajectcontrole en digitale flitspalen, voor zover het verwerken van de digitale gegevens hierbij volledig op geautomatiseerde wijze geschiedt.[6] Gelet op het arrest van de Hoge Raad[7] volstaat het in deze gevallen dat een daarmee belaste opsporingsambtenaar in het proces-verbaal vermeldt hetgeen langs elektronische weg is geconstateerd en vastgelegd.

Fase d en e: deze fasen worden als opsporingshandelingen aangemerkt en moeten worden uitgevoerd door een opsporingsambtenaar. Degene die de digitale foto  uitleest, is degene die de overtreding constateert en het proces-verbaal (mede-)ondertekent. Als de opsporingsambtenaar die de fasen a en/of b heeft verricht het proces-verbaal niet (mede-)ondertekent, kan die ambtenaar volstaan met het vastleggen van deze voor de opsporing van belang zijnde handelingen in een daartoe bestemd proces-verbaal van bevindingen of een rapportage

  1. Meting van snelheidsovertredingen

2.1 Keuring van de snelheidsmeters

De snelheidsmeters beschreven in de vorige paragraaf ‘Definities’ mogen slechts worden gebruikt voor de daar genoemde toepassingen als een certificaat is afgegeven door een daartoe bevoegde keuringsinstantie en de geldigheid van het certificaat niet is verstreken.

2.1.1 Kalibratie boordsnelheidsmeter

De boordsnelheidsmeter is niet opgenomen in de Regeling meetmiddelen politie. Deze meter kan namelijk niet als meetmiddel in de zin van dat besluit worden beschouwd, omdat een snelheidsovertreding hiermee niet op directe wijze kan worden vastgesteld. De snelheid van het gevolgde voertuig wordt immers geconstateerd door op (nagenoeg) gelijkblijvende afstand te volgen en vervolgens de overtreding af te leiden van de met het dienstvoertuig gereden snelheid. De goede werking van de boordsnelheidsmeter is echter essentieel voor de bewijsvoering en daarom wordt ten aanzien van de geldigheidsduur van de kalibratie  in deze instructie aangesloten bij de bepalingen die in de Regeling meetmiddelen politie gelden voor radarsnelheidscontrolemeters.

2.1.2 Geldigheidsduur kalibratie boordsnelheidsmeter

De in het dienstvoertuig aangebrachte tabel[8] en het daarbij behorende certificaat is geldig voor de duur van één jaar. Deze tabel en het daarbij behorende certificaat verliest haar geldigheid bij herstel of wijziging van enig onderdeel van het dienstvoertuig als dit herstel of deze wijziging van invloed kan zijn op het meetresultaat.

2.1.3 Aflezen snelheid boordsnelheidsmeter

De boordsnelheidsmeter wordt met stappen van maximaal 10 kilometer gekalibreerd. De waarden waarmee moet worden gecorrigeerd om de gemeten snelheid te bepalen zijn op de in het dienstvoertuig aanwezige kalibratietabel vermeld. Indien op een snelheidsmeter de met het dienstvoertuig gereden snelheid stabiel door de wijzer of digitaal wordt aangegeven dan wordt deze snelheid als de afgelezen snelheid gehanteerd. Indien de afgelezen snelheid geen tiental is (bijv. 156 km/h), dan volgt correctie met de hoogste van de twee correctiewaarden vermeld bij de tientallen waar de afgelezen snelheid tussen ligt. De gemeten snelheid moet vervolgens nog worden gecorrigeerd met de correctie van de maximale fout uit de onder punt 3.1.1 vermelde correctietabel.

NB Indien in een dienstvoertuig twee snelheidsmeters aanwezig zijn en maar één van de snelheidsmeters is gekalibreerd dan moet dit duidelijk op de kalibratietabel zijn vermeld. Voor het bepalen van de gereden snelheid mag slechts gebruik worden gemaakt van de gekalibreerde snelheidsmeter. Daarnaast is het niet toegestaan om gebruik te maken van de snelheid die wordt aangegeven door een in het voertuig aanwezig navigatieapparaat.

2.1.4 Niet-gekalibreerde boordsnelheidsmeter

Voor het vaststellen van snelheidsoverschrijdingen wordt in beginsel alléén een gekalibreerde boordsnelheidsmeter gebruikt. In de uitzonderlijke gevallen dat toch (mede) gebruik wordt gemaakt van een dienstvoertuig waarvan de boordsnelheidsmeter niet is gekalibreerd, moet als volgt worden gehandeld.

De afwijking van de snelheidsmeter in het dienstvoertuig moet zo spoedig mogelijk na de constatering worden bepaald met behulp van een gecertificeerde snelheidsmeter met een geldig certificaat. De meetonzekerheid bij de kalibratie is afhankelijk van de gebruikte apparatuur. De verbalisant neemt in het proces-verbaal op dat hij heeft geconstateerd dat gewerkt is met een niet-gekalibreerde boordsnelheidsmeter. Verder verdient het aanbeveling te vermelden dat hij op grond van zijn ervaring in het verkeer inschat, dat betrokkene / verdachte reed met een snelheid van xx km/h, in elk geval met een snelheid die hoger lag dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid.[9]

Indien vanuit een privévoertuig een snelheidsovertreding wordt geconstateerd, dan is het niet toegestaan om daarvoor een beschikking uit te reiken of een proces-verbaal op te maken. In een privévoertuig is immers nooit een gekalibreerde boordsnelheidsmeter aanwezig, dus de mate van de snelheidsoverschrijding kan nooit direct worden vastgesteld en evenmin zal altijd duidelijk zijn of sprake is van een Muldergedraging danwel een onder het strafrecht vallende overtreding. Daarnaast kunnen verkeersonveilige situaties ontstaan, enerzijds omdat voor privévoertuigen niet dezelfde eisen gelden als voor dienstvoertuigen en anderzijds omdat een burger niet zal verwachten dat een privévoertuig zich op de weg gedraagt als een dienstvoertuig. De verkeersonveilige situaties die hier mogelijk door ontstaan wegen niet op tegen het te dienen doel. Het parket CVOM accepteert dan ook geen beschikkingen of processen-verbaal inzake snelheidsoverschrijdingen die met privévoertuigen zijn geconstateerd.

Indien vanuit het privévoertuig (tevens) gevaarlijk of hinderlijk weggedrag wordt geconstateerd dan kan een proces-verbaal ter zake overtreding van artikel 5 WVW 1994 tegen de bestuurder worden opgemaakt. In het proces-verbaal moet het gevaarlijke/hinderlijke verkeersgedrag duidelijk wordt omschreven en de snelheidsovertreding kan daarbij slechts als indicatie worden vermeld. Vaak zal in dit soort situaties sprake zijn van een op kenteken geconstateerde overtreding. De bestuurder zal in zo’n geval achteraf als verdachte moeten worden gehoord, voordat het proces-verbaal mag worden ingezonden. Dit vanwege het feit dat voor dit soort overtredingen alleen volledige processen-verbaal door het parket CVOM worden geaccepteerd.

2.2 Plaats meetlocatie snelheidsmetingen

De snelheid van voertuigen  moet zijn aangepast direct op de plaats waar een lagere maximumsnelheid gaat gelden[10]. Om discussies, beroepschriften of verzet te voorkomen over een te korte afstand tussen de plaats waarop de lagere maximumsnelheid ingaat en de meetplaats wordt een minimumafstand in acht genomen tussen de plaats van inwerkingtreding van de lagere maximumsnelheid tot de meetplaats. Voor het bepalen van deze minimumafstand wordt geen rekening gehouden met de voor het gebod geldende maximumsnelheid. Het uitgangspunt is immers dat de snelheid bij het passeren van het gebod moet zijn aangepast en derhalve wordt bij het bepalen van de afstand tussen gebod en meetplaats uitgegaan van de uit het gebod volgende maximumsnelheid.

De minimale afstanden tussen gebod en meetplaats zijn:

15 km/h

4 m/s

40 meter afstand

30 km/h

8 m/s

80 meter afstand

50 km/h

14 m/s

140 meter afstand

60 km/h

17 m/s

170 meter afstand

70 km/h

19 m/s

190 meter afstand

80 km/h

22 m/s

220 meter afstand

90 km/h

25 m/s

250 meter afstand

100 km/h

28 m/s

280 meter afstand

120 km/h

33 m/s

330 meter afstand

Dezelfde afstanden moeten worden gebruikt tussen de meetplaats en de plaats waarop het gebod dat door middel van de snelheidsmeter wordt gehandhaafd eindigt als daarna een hogere maximumsnelheid gaat gelden. Hierbij moet worden uitgegaan van de ter plaatse geldende lagere maximumsnelheid. Bij kruisingen[11] en in bijzondere omstandigheden kan hier van worden afgeweken.

NB: De in de tabel vermelde afstanden betreffen de minimale afstanden. Om aan deze eis te voldoen, zonder gebruik te maken van de tabel, kan de ter plaatse toegestane snelheid worden vermenigvuldigd met het getal drie. Deze formule geldt voor alle in de tabel vermelde snelheden. Bijvoorbeeld: Toegestaan 80 km/h. De afstand tussen gebod en meetplaats wordt dan als van de formule wordt gebruikgemaakt: 80 x 3 = 240 m.

2.3 Betrouwbaarheid tachograaf

Een tachograaf in een vrachtauto of autobus ontvangt een snelheidssignaal door middel van een zender (impulsgever) die zich bevindt aan de versnellingsbak van het betreffende voertuig. Dit snelheidssignaal wordt gemeten in het aantal impulsen dat over een lengte van minimaal 1 kilometer door de zender wordt afgegeven.

De meting en registratie van de snelheid door een tachograaf wordt beïnvloed door het bandenprofiel, de bandenspanning en/of beladingsgraad. Daarom moet de snelheid die de tachograaf aangeeft, worden benoemd als de voertuigsnelheid. De werkelijk gereden snelheid is enkel vast te stellen met een goedgekeurde snelheidsmeter.

2.4 Erven

Op een woonerf mag sinds 1 januari 2013 niet sneller dan 15 km/h  gereden worden.

2.5 Wegwerkzaamheden

Indien op de maximumsnelheid wordt gehandhaafd bij wegwerkzaamheden is het noodzakelijk dat aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Ten eerste moet de bebording in orde zijn. Dit houdt in dat de A1 borden juist en altijd in combinatie met borden J16 (wegwerkzaamheden) zijn geplaatst. Zo moeten in geval van meer rijstroken in dezelfde rijrichting de A1 borden aan beide zijden van de rijbaan zijn geplaatst. Daarnaast moet sprake zijn van enige vorm van werkzaamheden[12] of moet de snelheidsbeperking kennelijk noodzakelijk zijn vanwege de wegomstandigheden ter plaatse, zoals versmalde rijstroken en de plaatsing van barrières e.d..

Als geen sprake is van geautomatiseerde handhaving waarbij voorafgaand aan de handhaving een proces-verbaal van het schouwen van de plaatsing van de borden wordt opgemaakt, moet op de aankondiging van (straf)beschikking of het proces-verbaal worden vermeld dat de bebording op de voorgeschreven wijze was geplaatst en dat er sprake was van wegwerkzaamheden danwel dat vanwege de wegsituatie de snelheidsbeperking noodzakelijk was.

Indien van het bovenstaande geen sprake is moet, voordat wordt gehandhaafd, in overleg worden getreden met de wegbeheerder en moet deze worden verzocht om de bebording te plaatsen conform de CROW richtlijnen ‘Maatregelen op autosnelwegen 96a’ en ‘Maatregelen op niet-autosnelwegen en wegen binnen de bebouwde kom 96b’. Als echter in het geheel geen sprake is van werkzaamheden en snelheidshandhaving wordt wenselijk geacht dan moet de wegbeheerder worden verzocht om de borden te verwijderen of uit het zicht van het verkeer te draaien.

In afwijking van het bovenstaande kan, als slechts de J16  borden (werk in uitvoering) ontbreken, maar wel sprake is van een versmalde rijstrook, wel worden gehandhaafd op de (lagere) maximumsnelheid, maar vanwege het ontbreken van de J16 borden moeten dan de ‘standaard’ feitcodes die geen betrekking hebben op wegwerkzaamheden worden gebruikt. Daarnaast is het van belang om de omstandigheden op de aankondiging van (straf)beschikking c.q. het proces-verbaal te vermelden. En ook in dit geval moet de wegbeheerder worden verzocht om aanvullend de J16 borden, conform de CROW richtlijnen 96 a/b te plaatsen als handhaving noodzakelijk wordt geacht.

  1. Marges

3.1 Maximale fout

(Mobiele) radarsnelheidsmeter, lasersnelheidsmeter, detectorsnelheidsmeter, (mobiele) trajectsnelheidsmeter

De maximale fout onder bedrijfsomstandigheden bedraagt 3 km/h voor snelheden niet groter dan 100 km/h en 3 procent van de gemeten snelheid voor snelheden hoger dan 100 km/h.

Gekalibreerde boordsnelheidsmeter in dienstvoertuig

De maximale fout voor gekalibreerde boordsnelheidsmeters bedraagt 3 km/h voor snelheden niet hoger dan 100 km/h en 3 procent van de werkelijke snelheid voor snelheden hoger dan 100 km/h. De in de kalibratietabel onder gemeten snelheid opgenomen waarden (zie de bijlage) moeten daarom ook met deze waarden worden gecorrigeerd.

3.1.1 Correctietabel

De in punt 3.1 vermelde maximale fout van 3 procent is uitgewerkt in onderstaande correctietabel. De correctie van de maximale fout vindt plaats conform deze tabel.

Tabel

Correctietabel in km/h

Correctie met 3 %

Gemeten snelheid

Correctie 3 %

0 t/m 100 km/h

3 km/h

101 t/m 130 km/h

4 km/h

131 t/m 165 km/h

5 km/h

166 t/m 200 km/h

6 km/h

201 t/m 230 km/h

7 km/h

230 t/m 265 km/h

8 km/h

266 t/m 300 km/h

9 km/h

3.2 Werkelijk gemeten snelheid

De Hoge Raad heeft in diverse arresten[13] het standpunt ingenomen dat met de in artikel 21 RVV 1990 genoemde snelheid niet de gemeten, maar de werkelijk gereden snelheid wordt bedoeld. Een ten laste gelegde snelheid is slechts bewezen, als van de gemeten snelheid de maximaal toelaatbaar geoordeelde meetfout van de meetapparatuur is afgetrokken. Hetzelfde geldt voor snelheden die zijn vastgesteld met een mobiele radarsnelheidsmeter.[14]

De onder punt 3.1 vermelde maximale fout onder bedrijfsomstandigheden moet daarom van de gemeten snelheid worden afgetrokken waardoor de werkelijke snelheid (= gecorrigeerde snelheid) wordt vastgesteld.

3.3 Ondergrens vervolging en instellen snelheidsmeters

Om te voorkomen dat de gemeten snelheid na aftrek van de meetcorrectie te dicht bij de toegestane maximumsnelheid ligt, wordt pas opgetreden als de gemeten snelheid verminderd met de voorgeschreven correctie van 3 km/h c.q. 3 procent, de toegestane maximumsnelheid met 4 km/h of meer overschrijdt. Uitsluitend bij een toegestane maximumsnelheid van 130 km/h wordt van deze regel afgeweken en kan worden opgetreden vanaf een gemeten snelheid van 136 km/h. Aangezien de maximumsnelheid van 130 km/h de bovengrens vormt van het snelhedengebouw vinden de ministers van Veiligheid en Justitie en Infrastructuur en Milieu het verdedigbaar om geen ondergrens te hanteren bij deze snelheid.[15]

De snelheidsmeters zoals genoemd onder 3.1 van deze instructie moeten dus als volgt worden ingesteld:

Maximumsnelheid

Snelheidsmeter instellen op

Correctie

Beschikking

30 km/h

37 km/h

-3

34 km/h

50 km/h

57 km/h

-3

54 km/h

80 km/h

87 km/h

-3

84 km/h

100 km/h

108 km/h

-4

104 km/h

120 km/h

128 km/h

-4

124 km/h

130 km/h

136 km/h

-5

131 km/h

Wegwerkzaamheden

Snelheid + 7

-3

Het hoger instellen van de snelheidsmeters omdat bepaalde wegen zich door hun infrastructuur zouden lenen voor een hogere snelheid, is in strijd met het handhavingsbeleid en wordt met klem afgeraden. De rechtszekerheid en de rechtseenheid komen dan in het geding.

Als de infrastructuur van de weg zich niet verenigt met de voor die weg geldende snelheidslimiet, moet met de wegbeheerder worden overlegd over de mogelijkheid om de maximumsnelheid aan te passen aan de omstandigheden of om de weg zodanig in te richten dat deze uitnodigt om de daar geldende maximumsnelheid niet te overschrijden.

  1. Eisen proces-verbaal

4.1 Laser snelheidsmeter (lasergun)

Juridisch gezien is er geen bezwaar tegen het verbaliseren op kenteken bij gebruik van de lasergun. Omdat echter bij het gebruik van de lasergun meestal geen fotografische- of videoregistratie van de gedraging of overtreding plaatsvindt, moet in beginsel tot staandehouding worden overgegaan.[16]

Als bij het gebruik van de lasergun toch tot het verbaliseren op kenteken wordt overgegaan zonder fotografische of videoregistratie, moet dit in het proces-verbaal of de beschikking worden gemotiveerd.

In het proces-verbaal wordt naast de maximumsnelheid, de gemeten snelheid en de werkelijke (gecorrigeerde) snelheid vermeld op welke afstand het voertuig werd gemeten.

4.2 Detectorsnelheidsmeter

Als bij detectormeting de gereden snelheid met ‘--’ wordt aangegeven, is dit een waarde die het snelheidsmeetmiddel niet heeft kunnen aangeven. Om een zaak te kunnen vervolgen, moet de waarde van de snelheid bekend zijn. Als de waarde niet bekend is, zal afdoening dus niet mogelijk zijn.

4.3 Mobiele trajectsnelheidsmeter

Als een voertuig is uitgerust met een mobiele trajectsnelheidsmeter, kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt van een andere gekalibreerde of gecertificeerde snelheidsmeter in het dienstvoertuig. Bij gebruik van een andere gekalibreerde of gecertificeerde snelheidsmeter in een dergelijk dienstvoertuig moet in het proces-verbaal worden gemotiveerd waarom geen gebruik werd gemaakt van de mobiele trajectsnelheidsmeter.

Indien een snelheidsmeting wordt verricht met een mobiele trajectsnelheidsmeter dan moet de meting zoveel mogelijk worden verricht conform één van de in het ‘Handboek meetmethodiek mobiele trajectsnelheidsmeter’ opgenomen meetvarianten.

4.4 Gekalibreerde  boordsnelheidsmeter in dienstvoertuig

Een proces-verbaal waarin sprake is van snelheidsmeting met behulp van een gekalibreerde snelheidsmeter in een dienstvoertuig dient de volgende gegevens te bevatten:

  • de geldende maximumsnelheid;
  • de afstand tussen het gemeten en meetvoertuig, met de vaststelling dat die onderlinge afstand tijdens het meten van de snelheid gelijk danwel nagenoeg gelijk bleef, danwel dat het gemeten voertuig uitliep op het dienstmotorvoertuig[17];
  • de afstand waarover de snelheid van het voertuig werd gemeten;
  • de geconstateerde snelheid (afgelezen snelheid);
  • de gemeten snelheid volgens kalibratietabel (= snelheid kalibratietabel behorende bij de

boordsnelheidsmeter);

  • de gecorrigeerde snelheid (= gemeten snelheid volgens kalibratietabel minus de correctie of snelheid kalibratietabel waarin de correctie reeds is opgenomen);
  • de overschrijding in aantal kilometers per uur.
  1. Excessieve snelheidsovertredingen (artikel 164 lid 2 onder c WVW 1994)

De Aanwijzing inzake de invordering van rijbewijzen geeft een regeling voor de vordering tot overgifte/ invordering en de inhouding van het rijbewijs bij excessieve snelheidsovertredingen.

De bijlage 2 bij de Aanwijzing inbeslagneming regelt de gevallen van inbeslagneming van het voertuig.

  1. Recidiveregeling gedocumenteerde snelheidsovertredingen

De recidiveregeling gedocumenteerde snelheidsovertredingen wordt toegepast bij snelheidsovertredingen die niet als gedraging in de bijlage bij de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) zijn opgenomen.[18] Van recidive is alleen sprake als de overtreding wordt begaan binnen twee jaar na afdoening van de vorige overtreding.

De Richtlijn voor strafvordering tarieven en feitomschrijvingen inzake misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften regelt het sanctiebeleid.

  1. Handhaving snelheidsbegrenzer door politie en Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)

7.1 Schematisch overzicht voertuigcategorie en ingangsdatum snelheidsbegrenzer (art. 5.3.15 en 5.3a.15 RV)

Tabel

Schematisch overzicht verplichting snelheidsbegrenzer

Categorie

Toegestane max. massa in kg

Datum ingebruikname

Bedrijfsauto

> 12.000

na 31-12-1987

Bedrijfsauto

> 3.500 t/m 12.000

na 31-12-2004

Bedrijfsauto met dieselmotor

> 3.500 t/m 12.000

na 30-9-2001 maar vóór 1-1-2005

Bus

> 10.000

na 31-12-1987

Bus

t/m 10.000

na 31-12-2004

Bus met dieselmotor

t/m 10.000

na 30-9-2001 maar vóór 1-1-2005

7.2 Uitgangspunten

7.2.1 Geconstateerde snelheid

Het eerste uitgangspunt van de handhaving van de regels betreffende de snelheidsbegrenzer is de geconstateerde snelheid. Een indicatie dat een snelheidsbegrenzer niet juist  is afgesteld, is in elk geval aanwezig, als de gemeten snelheid meer bedraagt dan:

  • 90 km/h voor de in 7.1 genoemde bedrijfsauto’s;
  • 100 km/h voor de in 7.1 genoemde

Naast het meten van de gereden snelheid kan ook de door een tachograaf geregistreerde (te hoge) snelheid worden gebruikt.

7.2.2 Bestuurder verantwoordelijk voor snelheidsoverschrijding

Het tweede uitgangspunt is dat in principe de bestuurder verantwoordelijk is voor de snelheidsoverschrijding en de eigenaar/houder voor het niet aanwezig zijn van een goedgekeurde en goedwerkende snelheidsbegrenzer.

7.3 Verbaliseringsbeleid Nederlandse bedrijfsauto’s en bussen

Als een  bestuurder door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie of de ILT wegens een snelheidsovertreding is staande gehouden, moet in ieder geval ter zake van de snelheidsovertreding een proces-verbaal worden opgemaakt danwel een administratieve sanctie in de zin van de WAHV (Wet Mulder) worden opgelegd.

Per 1 juli 2013 is de Wet wegvervoer goederen (WWG) gewijzigd vanwege de implementatie van de EG-verordeningen 1071/2009 en 1072/2009 in de Nederlandse wetgeving.

Een gevolg van deze verordeningen is dat een Europees elektronisch sanctieregister is ingericht waarin zogenaamde ernstige of zeer ernstige inbreuken op de communautaire wetgeving moeten worden vastgelegd. Dit register staat bekend onder de naam ERRU-register (formele benaming: European Register of Road Transport Undertakings).
Als gevolg van de implementatie van deze verordening is in artikel 18 Regeling wegvervoer goederen (RWG)  een aantal onder de verkeerswetgeving vallende overtredingen, waaronder het rijden zonder (goed functionerende) snelheidsbegrenzer, opgenomen. Sinds de invoer van deze bepaling is de vervoerder strafbaar voor deze overtreding. Als dit niet de bestuurder betreft zal deze afzonderlijk gehoord moeten worden ter zake deze overtreding. In de bijlage met OM-feiten[19] zijn de feitcodes E 883 a en b opgenomen, die van toepassing zijn als sprake is van beroeps- of eigen vervoer.

Daarnaast zijn ook in de bijlage bij het Besluit OM-afdoening feitcodes opgenomen ter zake het niet voorzien zijn van een goedwerkende snelheidsbegrenzer. Dit betreft de feitcodes N 150 d en N 150 dd. Hoewel hiervoor in principe tegen de bestuurder en de eigenaar/houder een politiestrafbeschikking kan worden uitgevaardigd, moet daarvan worden afgezien als sprake is van beroeps- of eigen vervoer. De feitcodes N 150d en N 150 dd mogen niet worden gebruikt wanneer sprake is van een vrachtauto in de zin van de WWG. Wanneer sprake is van beroeps- of eigen vervoer in een vrachtwagen in de zin van de WWG zijn de feitcodes E 883 a en b van toepassing. Indien sprake is van een bus of een door een particulier gebruikt voertuig dat niet aan de eisen voor snelheidsbegrenzers voldoet wordt slechts conform de voorgeschreven werkwijze een politiestrafbeschikking uitgevaardigd tegen de eigenaar/houder van het motorvoertuig.

Het is dus mogelijk dat het feitencomplex zowel een administratiefrechtelijk als strafrechtelijk vervolg krijgt. De bestuurder kan een administratieve sanctie opgelegd krijgen wegens de snelheidsovertreding, en aan de eigenaar/houder kan vanwege de niet-goedgekeurde, danwel niet-goedwerkende snelheidsbegrenzer een aankondiging van strafbeschikking of kennisgeving van bekeuring worden uitgereikt of toegezonden.

7.4 Verbaliseringsbeleid buitenlandse bedrijfsauto’s en bussen

De verbalisering van bestuurders van buitenlandse bedrijfsauto’s en bussen vindt plaats conform het bovenstaande verbaliseringsbeleid ten aanzien van Nederlandse bedrijfsauto’s en bussen, met dien verstande dat van het toezenden een aankondiging van strafbeschikking aan de eigenaar/houder of het horen van de vervoerder kan worden afgezien. In een dergelijk geval kan voor zover van toepassing (dus bij een bedrijfsauto alleen bij particulier gebruik) de buitenlandse bestuurder zowel een beschikking worden opgelegd voor de snelheidsovertreding als een aankondiging van strafbeschikking worden uitgereikt vanwege het feit dat de motorvoertuig  niet voorzien is van een goedwerkende snelheidsbegrenzer.

Als sprake is van beroepsmatig of eigen vervoer dan wordt proces-verbaal middels de feitcode E 883 a of b  tegen de vervoerder opgemaakt en dit wordt via de feitgecodeerde lijn ingezonden naar het parket CVOM. Door het parket CVOM zal middels een gestandaardiseerd rechtshulpverzoek worden verzocht om de vervoerder te horen.

OVERGANGSRECHT

De beleidsregels in deze instructie hebben gelding met ingang van de datum van inwerkingtreding.

BIJLAGE

Voorbeeldtabel gekalibreerde boordsnelheidsmeter
KM teller Gemetensnelheid Datum11/12/17

30

27

Reg.no.

951416

40

37

Kenteken

0-XXX-XX

50

47

Wegdraaital

525

60

57

KM-stand

78503

70

67

Plaats

Randstad

80

77

90

87

100

96

110

106

120

116

130

126

140

136

150

146

160

156

170

165

180

175

190

185

200

195

210

220

[1] Zie tabel in paragraaf 7.1.

[2] Sommige radar-, laser-, detector- en trajectsnelheidsmeters zijn verplaatsbaar en kunnen daardoor vanuit verschillende locaties snelheidsmetingen vanuit een vast punt verrichten.

[3]  Met het uitlezen van de digitale beelden wordt het daadwerkelijk beoordelen van de digitale foto bedoeld en het derhalve daadwerkelijk waarnemen van de overtreding.

[4] Deze rapportage of dit proces-verbaal van bevindingen maakt geen deel uit van het proces-verbaal van de overtreding of van het zaakoverzicht als sprake is van een gedraging als bedoeld in de WAHV.

[5] Hierbij moet worden gedacht aan unieke codering/nummering van gegevensdragers, zoals een DVD/USB-stick, het gebruik van geleidelijsten en fysieke overdracht van gegevens.

[6] Gelet op hetgeen in art. 3 lid 2 WAHV is bepaald zijn daartoe aangewezen opsporingsambtenaren bevoegd een administratieve sanctie op te leggen ter zake van op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen.

[7] HR 26 januari 1999, VR 1999/79. De Hoge Raad heeft ter zake een door middel van trajectcontrole geconstateerde snelheidsovertreding bepaald: ‘De omstandigheid dat een en ander onder directe verantwoordelijkheid van de politie is geschied en dat door de verbalisant is waargenomen hetgeen langs elektronische weg is geconstateerd en vastgelegd, brengt mee dat hier sprake is van een proces-verbaal dat de mededeling van de verbaliserende ambtenaar betreft van feiten of omstandigheden door hemzelf waargenomen. Daaraan doet niet af dat eerdergenoemde waarnemingen van tijd en plaats niet direct met de eigen zintuigen zijn geschied en de noodzakelijke berekeningen met hulpapparatuur zijn uitgevoerd. Van dat oordeel uitgaande, heeft de rechtbank terecht aan eerder bedoeld proces-verbaal de bewijskracht van art. 344, tweede lid, Sv toegekend voor zover het betreft de door de verbalisant gedane waarnemingen van hetgeen langs elektronische weg is geconstateerd, van het feit dat de Rijksdienst voor het Wegverkeer de in het proces-verbaal bedoelde opgave heeft gedaan en van het feit dat de verdachte het desbetreffende antwoordformulier heeft geretourneerd.’

[8] Zie de in de bijlage opgenomen voorbeeldtabel.

[9] HR 27 november 1973, VR 1974/37 en HR 8 oktober 1974, VR 1975/20.

[10] Hof Leeuwarden 18 april 2001, ECLI:NL:GHLEE:2001:16, WAHV 00/00267. ‘Mede gelet op de toelichting op art. 19 RVV1990 vloeit uit het bepaalde in art. 5 WVW1994 en art. 19 RVV1990, gelezen in onderling verband en samenhang, voort dat een bestuurder zijn snelheid steeds zodanig dient te regelen, dat hij in staat is borden zo tijdig waar te nemen dat hij zijn weggedrag tijdig aan de door die borden gegeven ge- of verboden, waarschuwingen of andere informatie kan aanpassen.’

[11] Hof Leeuwarden 21 september 2006, ECLI:NL:GLEE:2006:AZ5513. De ratio van de snelheidsbeperking tot 70 km per uur bij kruisingen als de onderhavige is niet slechts gelegen in het de bestuurder nopen tijdig te reageren op de verplichting zijn voertuig voor het rode verkeerslicht tot stilstand te brengen, maar ook in het met die gematigde snelheid de kruising op te rijden. Nu daaraan niet is voldaan is niet relevant op welke afstand van de kruising het bord G3(autoweg) zich bevindt.

[12] Er hoeft niet daadwerkelijk gewerkt te worden, maar de aanwezigheid van voertuigen, die kennelijk worden gebruikt voor werkzaamheden ter plaatse volstaat.

[13] Bijv. HR 12 december 1995 en 23 januari 1996, NJ 1996, 397-400.

[14] HR 12 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:  ZD0406, NJ 1996, 511.

[15] Verzamelbrief verkeersveiligheid, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 11 mei 2011, kenmerk IENM/BSK-2011/53873, Kamerstukken II 2010-2011, 29 398, nr. 275, p. 9-10.

[16] Bijv. Hof Leeuwarden 30 mei 2001, ECLI:NL:GHLEE:2001:ZJ0155.

[17] Hof Arnhem 24 juli 2009, ECLI:NL: GHARN:2009: BJ3985.

[18] Een overschrijding van de maximumsnelheid met meer dan 30 km/h of voor bepaalde snelheidsovertredingen op autosnelwegen met meer dan 40 km/h.

[19] Opgenomen in de Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen.